ECLI:NL:RVS:2026:592

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202501197/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit en inreisverbod

Verzoeker is bij besluit van 1 februari 2023 opgedragen Nederland en de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en is een inreisverbod opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 29 januari 2025 ongegrond verklaarde. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, waarbij hij verzocht om de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven in de procedure.

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat uit het verzoek niet blijkt dat er sprake is van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom is het verzoek afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.H. van Breda in aanwezigheid van griffier A.E. de Ruijter op 4 februari 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

202501197/2/V1.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2025 in zaak nr. NL23.6222 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verzoeker opgedragen om Nederland en de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 29 januari 2025 heeft de rechtbank het door verzoeker daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.
Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod te schorsen totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
2.       Uit het verzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
3.       De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
887-1174