ECLI:NL:RVS:2026:592
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit en inreisverbod
Verzoeker is bij besluit van 1 februari 2023 opgedragen Nederland en de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en is een inreisverbod opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 29 januari 2025 ongegrond verklaarde. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, waarbij hij verzocht om de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven in de procedure.
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat uit het verzoek niet blijkt dat er sprake is van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom is het verzoek afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.H. van Breda in aanwezigheid van griffier A.E. de Ruijter op 4 februari 2026.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.