AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuurlijke lus voor herstel gebreken bestemmingsplan Buitengebied Epe Herstelplan 2020
De raad van de gemeente Epe stelde op 27 januari 2022 het bestemmingsplan "Buitengebied Epe, Herstelplan 2020" vast, dat enkele onderdelen van het moederplan uit 2017 herzien moest herstellen. Diverse appellanten en een vereniging maakten bezwaar tegen het plan, onder meer vanwege het niet opnemen van bepaalde percelen en het ontbreken van regels over spuitzones.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de beroepen van enkele appellanten en de vereniging ongegrond zijn, omdat de raad beleidsruimte heeft bij het bepalen van de planbegrenzing en het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Voor andere appellanten constateerde de Afdeling echter gebreken in het plan, zoals het niet positief bestemmen van vergunde woningen en het niet mogelijk maken van bewoning door twee huishoudens in een voormalige boerderij.
De Afdeling past daarom de bestuurlijke lus toe en draagt de raad op binnen 26 weken de gebreken te herstellen door onder meer percelen alsnog op te nemen, vergunde afmetingen te verwerken en het gebruik door twee huishoudens planologisch mogelijk te maken. De procedure wordt voor deze beroepen voortgezet, terwijl voor de ongegronde beroepen de procedure wordt beëindigd.
Uitkomst: De beroepen van enkele appellanten en de vereniging zijn ongegrond verklaard, voor andere appellanten is de bestuurlijke lus toegepast om gebreken in het bestemmingsplan binnen 26 weken te herstellen.
Uitspraak
202201577/1/R4.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak, deels tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Emst, gemeente Epe,
2. [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), allen wonend in [woonplaats],
3. [appellant sub 3], wonend in Epe,
4. [appellant sub 4B], wonend in[woonplaats],
5. Vereniging Natuur en Milieu Epe (hierna: de vereniging), gevestigd in Emst, gemeente Epe,
6. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), beiden wonend in Emst, gemeente Epe,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Epe,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Epe, Herstelplan 2020" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4B], de vereniging en [appellant sub 5] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 5] heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.
De vereniging heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2025, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. L. Bolier, [appellant sub 2], [appellant sub 3], bijgestaan door mr. W.M. Janse, advocaat te Harderwijk, [appellant sub 5], bijgestaan door mr. R.A. Oosterveer, advocaat te Apeldoorn, en de raad, vertegenwoordigd door ir. H. Posthuma en mr. S. Geene, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 28 januari 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Met het voorliggende plan wordt het bestemmingsplan "Buitengebied Epe" uit 2017 (hierna: het moederplan) op enkele onderdelen herzien. Nadat het besluit tot vaststelling van het moederplan bij uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1887, gedeeltelijk is vernietigd heeft de raad met de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Epe, herstelplan 2018" voor zes recreatiewoningen waarvoor sprake is van een Bewoning onder OVergangsrecht-situatie (hierna: een BOV-status) de permanente bewoning van deze recreatiewoningen mogelijk gemaakt. Ook heeft de raad met het herstelplan uit 2018 voor de recreatiewoningen op twee recreatieparken het gebruik als tweede woning mogelijk gemaakt. Uit de toelichting van het voorliggende plan blijkt dat het plan is bedoeld om voor andere recreatiewoningen die ook binnen het plangebied van het moederplan zijn gelegen en gelijkgesteld kunnen worden aan de gevallen die in het herstelplan uit 2018 zijn meegenomen, dezelfde planologische regeling te treffen. Uit hoofdstuk 2 van de plantoelichting volgt dat het plan met het oog op 4 doelen is vastgesteld. Allereerst om permanente bewoning van recreatiewoningen met een BOV-status planologisch mogelijk te maken. Ten tweede om het gebruik van recreatiewoningen op recreatieparken als tweede woning mogelijk te maken. Ten derde is het plan ook bedoeld om een aantal aangenomen moties van de raad te verwerken en ten vierde om andere omissies te herstellen en overige ambtshalve wijzigingen door te voeren.
[appellant sub 2], [appellant sub 4B] en [appellant sub 5] kunnen zich niet vinden in voorliggend plan voor zover hun percelen niet in het plan zijn meegenomen. De vereniging kan zich niet vinden in het plan, omdat daarin geen regels zijn opgenomen die gaan over spuitzones. [appellant sub 1] kan zich niet vinden in het plan voor zover zijn perceel daarin geen woonbestemming heeft gekregen en de vergunde bebouwing op zijn perceel niet als zodanig is bestemd. [appellant sub 3] kan zich niet vinden in het plan, omdat de gesplitste voormalige boerderij aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Epe niet door twee huishoudens mag worden bewoond.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroep van [appellant sub 2]
4. [appellant sub 2] betoogt dat de gekozen planbegrenzing in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, voor zover daarin niet ook zijn perceel is meegenomen. Hij voert aan dat de raad zijn perceel ook in het plan had moeten opnemen, omdat in het moederplan voor de op het perceel al jaren aanwezige berging en paardenstallen geen passende planologische regeling is getroffen. Hij stelt dat daarom sprake is van omissies in het moederplan die moeten worden hersteld. Hij stelt dat de berging al sinds 1966 op het perceel aanwezig is en de paardenstallen al sinds 2001. Ter ondersteuning daarvan heeft hij oude foto ’s overgelegd waarop de berging is te zien. Hoewel voor deze bebouwing nooit een vergunning is verleend, is daartegen ook nooit handhavend opgetreden, zo stelt hij. Hij wil dat de berging en de paardenstallen positief worden bestemd, dan wel dat het bestaan en gebruik daarvan onder het overgangsrecht mag worden voortgezet. Hij wijst er hierbij op dat het nabijgelegen perceel aan de Laarstraat 69 in Emst wel in het plan is opgenomen en dat de al jaren illegale permanente bewoning van de recreatiewoning op dat perceel in dit plan is gelegaliseerd.
4.1. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Gelet op wat [appellant sub 2] aanvoert is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient.
De raad heeft toegelicht dat het plan met het oog op de vier doelen zoals genoemd in hoofdstuk 2.1 van de plantoelichting is vastgesteld. Weliswaar is één van deze doelen het herstellen van omissies in het moederplan, maar daarvan is bij het perceel van [appellant sub 2] niet gebleken. Tussen partijen is niet in geschil dat de op het perceel aanwezige berging en de paardenstallen nooit vergund zijn. Dit betekent dat geen sprake is van een bestaande legale situatie waar de raad bij de vaststelling van het plan rekening mee had moeten houden. In zoverre slaagt het betoog niet.
Dat de bebouwing al lange tijd op het perceel aanwezig is en dat daartegen nooit handhavend is opgetreden betekent op zichzelf niet dat de raad er niet voor heeft kunnen kiezen om het perceel niet mee te nemen in het plan. Dat het perceel aan de Laarstraat 69 wel is meegenomen in het plan, leidt niet tot een andere conclusie. Ten aanzien van de bebouwing op dat perceel is tijdens de zitting door de raad toegelicht dat in het plan alleen de vergunde, legale bebouwing op dat perceel als zodanig positief is bestemd. Daarvan is bij het perceel van [appellant sub 2] geen sprake. Het beroep van [appellant sub 2] op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom ook niet.
Beroep van [appellant sub 4B]
5. [appellant sub 4B] betoogt dat de raad zijn perceel ten onrechte niet in het plan heeft opgenomen terwijl zijn recreatiewoning al sinds 2004 onafgebroken als tweede woning wordt gebruikt. Hij stelt dat zijn perceel daarom op zijn minst de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie- tweede woning" had moeten krijgen, net zoals voor andere percelen binnen het plangebied is gedaan. [appellant sub 4B] voert verder aan dat de raad ook aanleiding had moeten zien om zijn perceel een woonbestemming te geven dan wel permanente bewoning van zijn recreatiewoning mogelijk te maken. Dit omdat zijn perceel niet is gelegen binnen een recreatiepark en voor andere recreatiewoningen die ook niet binnen een recreatiepark zijn gelegen met het plan wel permanente bewoning daarvan mogelijk is gemaakt. Hij stelt dat de raad door voor zijn perceel geen gelijke planologische regeling te treffen in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel. Hij wijst er tot slot nog op dat als hij zijn recreatiebewoning permanent zou mogen bewonen zijn woning in Apeldoorn beschikbaar komt, wat gelet op de krappe woningmarkt als bijkomend voordeel moet worden gezien, aldus [appellant sub 4B].
5.1. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Gelet op wat [appellant sub 4B] aanvoert is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient. De raad heeft toegelicht dat het plan is vastgesteld met het oog op de vier doelen die zijn genoemd in hoofdstuk 2.1 van de plantoelichting en dat alleen percelen uit het moederplan in het plan zijn opgenomen, als deze vallen binnen deze vier doelen. De raad stelt dat gelet op deze doelen geen aanleiding bestaat om het perceel van [appellant sub 4B] in het plan mee te nemen. De Afdeling volgt dit standpunt van de raad. De recreatiewoning op het perceel van [appellant sub 4B] heeft geen BOV-status. Verder stelt de Afdeling vast dat het gebruik van de recreatiewoning als tweede woning op grond van artikel 18.4, onder b, van de planregels van het moederplan uit 2017 al is toegestaan, omdat het gebruik van een recreatiewoning als tweede woning volgens deze planregel niet wordt aangemerkt als strijdig gebruik. Aangezien die planregels van het moederplan nog steeds gelden, hoeft het gebruik als tweede woning in dit plan niet opnieuw te worden geregeld. In zoverre mist het betoog van [appellant sub 4B] feitelijke grondslag. Gelet op het vorenstaande bestaat dan ook geen reden voor het oordeel dat de raad door het perceel niet op te nemen in het plan heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Wat betreft de door [appellant sub 4B] gewenste woonbestemming voor zijn perceel ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor de conclusie dat de raad er niet voor heeft kunnen kiezen om zijn perceel niet in het plan mee te nemen. Gelet op de vier doelen waarvoor het plan is vastgesteld is het plan niet bedoeld om daarmee ook de herbestemming van recreatieve percelen naar een woonbestemming mogelijk te maken. Er is geen sprake van een omissie op dit punt en [appellant sub 4B] heeft ook geen redenen aangevoerd op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat de raad desondanks aanleiding had moeten zien om een herbestemming van het perceel in het plan mee te nemen. Dat het toekennen van een woonbestemming als bijkomend voordeel heeft dat zijn woning in Apeldoorn beschikbaar komt, heeft de raad daarvoor onvoldoende kunnen achten.
Het betoog slaagt niet.
Beroep van [appellant sub 5]
6. Op de zitting heeft [appellant sub 5] zijn beroepsgrond dat het bouwvlak voor zijn perceel op de verbeelding zou moeten worden aangepast ingetrokken.
7. [appellant sub 5] betoogt dat zijn perceel ten onrechte niet is meegenomen in het plan. Hij stelt dat bij zijn perceel sprake is van een feitelijke en vergunde situatie die niet overeenkomt met wat in het moederplan is geregeld. Zijn bestaande recreatiewoning zoals die in 1960 en in 1971 is vergund, is groter dan op grond van de planregels van het moederplan is toegestaan. Ook is geen rekening gehouden met de schuur die al sinds 1971 aanwezig is en mogelijk wel is vergund. Hij stelt dat de raad door zijn perceel niet op te nemen in het plan ook handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu dergelijke omissies in het moederplan in dit plan wel zijn hersteld voor de percelen aan de Woesterbergweg 13, 29, 38, en de Woesterweg 26 en 30.
7.1. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
De raad heeft op de zitting te kennen gegeven dat de planologische regeling voor het perceel van [appellant sub 5] in het moederplan niet overeenstemt met de afmetingen die op basis van de vergunningen voor de recreatiewoning op het perceel zijn toegestaan. Op grond van artikel 18.2 van de planregels mag op zijn perceel een (recreatie)woning, inclusief eventuele al dan niet vrijstaande bergingen niet meer dan 75 m² bedragen, terwijl de vergunde woning een grotere oppervlakte heeft. De raad heeft erkend dat wat betreft de planologische regeling van de recreatiewoning sprake is van een omissie in het moederplan, die gelet op de doelen waarvoor het plan is vastgesteld, had moeten worden meegenomen in voorliggend plan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft zich gelet daarop in zoverre dan ook niet op het standpunt kunnen stellen dat de begrenzing van het bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Wat betreft zijn recreatiewoning slaagt het betoog.
Voor de aanwezige schuur is niet gebleken dat, zoals [appellant sub 5] stelt, de schuur op enig moment is vergund. Daarom bestaat geen reden om aan te nemen dat betreft schuur sprake is van een omissie in het moederplan die met dit plan had moeten worden hersteld. De raad hoefde bij de vaststelling van de plan in zoverre dan ook geen rekening te houden met deze schuur. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor de conclusie dat de raad door geen rekening te houden met de schuur heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hierbij is van belang dat wat betreft de bebouwing op de percelen aan de Woesterbergweg 13, 29 en 38 en de Woesterweg 26 en 30 de raad tijdens de zitting heeft toegelicht dat met het plan alleen vergunde bebouwing als zodanig is bestemd en [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor de genoemde percelen niet juist is. Wat betreft de aanwezige schuur slaagt het betoog niet.
Beroep van de vereniging
8. De vereniging betoogt dat de door de raad gekozen planbegrenzing niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De vereniging stelt dat de raad aanleiding had moeten zien om in het plan algemene regels voor spuitzones op te nemen, zoals die in het ontwerpplan wel waren opgenomen. De vereniging stelt dat het vanuit het oogpunt van de volksgezondheid en met het oog op de natuur noodzakelijk is dat spuitvrije zones worden ingesteld. Ter ondersteuning daarvan wijst de vereniging op diverse artikelen en rapporten om aan te tonen dat gewasbeschermingsmiddelen gevaarlijk zijn en stelt zij dat in Natura 2000-gebieden tal van giftige stoffen aanwezig zijn.
8.1. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
In wat de vereniging aanvoert ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient. Het plan en daarmee het plangebied is door de raad vastgesteld met het oog op de vier doelen die in hoofdstuk 2.1 van de plantoelichting zijn genoemd. Met het plan is gelet op deze doelen niet beoogd om het gehele plangebied van het moederplan te herzien. De Afdeling stelt vast dat de in het ontwerpplan opgenomen regels over spuitzones alleen golden voor gronden met de bestemming "Agrarisch". Het plan heeft echter geen betrekking op gronden met deze bestemming. In zoverre zou het opnemen van planregels over spuitzones in het plan dan ook geen betekenis hebben. De vereniging heeft niet inzichtelijk gemaakt dat tussen de gronden in het plangebied en de rest van de gronden in het plangebied van het moederplan - waarvoor onder andere agrarische bestemmingen gelden - een zodanige samenhang bestaat dat de raad om die reden ook de gronden met een agrarische bestemming in het plangebied van dit plan had moeten opnemen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat de raad de begrenzing van het plan niet zo heeft kunnen stellen. Doordat het plangrensbezwaar van de vereniging niet slaagt komt de Afdeling aan een bespreking van wat de vereniging in beroep verder heeft aangevoerd niet meer toe.
Beroep van [appellant sub 1]
Woonbestemming
9. [appellant sub 1] betoogt dat zijn perceel aan de Woesterbergweg 11 ten onrechte geen woonbestemming heeft gekregen. Hij stelt dat er geen ruimtelijke redenen zijn om de recreatieve bestemming van het perceel niet te wijzigen in een woonbestemming. Hij voert daartoe aan dat de opnieuw als recreatiewoning bestemde woning op het perceel al sinds 1981 als normale woning in gebruik is en dat de woning in 1999 ook als normale woning is vergund. [appellant sub 1] stelt dat het perceel al lange tijd niet recreatief gebruikt wordt en dat ook niet te verwachten is dat dit gebruik zal worden hervat.
9.1. De Afdeling vat het betoog aldus op dat volgens [appellant sub 1] sprake is van een legale, vergunde woning en dat de raad om die reden aanleiding had moeten zien om aan zijn perceel een woonbestemming toe te kennen.
De Afdeling stelt vast dat blijkens het besluit van het college van 25 november 1999 een vergunning voor de bouw van een woning en een bijgebouw op het perceel is verleend. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de verleende vergunning consequent wordt gesproken over het bouwen van een ‘woning’ en is vermeld dat de woning het hoofdverblijf is. Niet in geschil is dat de aanwezige woning is gebouwd in overeenstemming met deze vergunning uit 1999 en dus op het perceel een normale woning en geen recreatiewoning is gerealiseerd. De Afdeling maakt hieronder bij de bespreking van het betoog van [appellant sub 1] een onderscheid tussen de woning zelf en het toegestane gebruik ervan.
9.2. De woning is na verlening van deze vergunning in voorgaande bestemmingsplannen nooit positief bestemd ondanks het feit dat in de vergunning is vermeld dat het voornemen was om in het bestemmingsplan "Schaveren" - dat dateert uit 2002 - aan het perceel de bestemming "Woondoeleinden" of "Bos, woningen toegestaan" toe te kennen. Doordat het perceel van [appellant sub 1] in het plan de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" heeft gekregen, heeft de raad ook met dit plan de vergunde woning niet als zodanig bestemd en dus opnieuw onder het bouwovergangsrecht gebracht. In geval van bestaande legale bebouwing kan dat alleen onder bijzondere omstandigheden aanvaardbaar zijn. De raad moet dan aannemelijk maken dat de bebouwing op termijn zal worden verwijderd. Anders moet de raad het bestaande legale bouwwerk planologisch inpassen. De raad heeft in het geheel niet gemotiveerd dat de bestaande woning op termijn zal verdwijnen. Dat de raad het vanuit ruimtelijk oogpunt nodig acht dat de bestaande, vergunde afmetingen van de woning als maximum blijven gelden en een recreatieve bestemming beperktere bouwmogelijkheden biedt is hiervoor onvoldoende. De raad had ook met een aanduiding binnen de bestemming "Wonen" afwijkende maximale afmetingen voor het perceel kunnen opnemen die overeenstemmen met de vergunde situatie. De Afdeling merkt op dat [appellant sub 1] tijdens de zitting te kennen heeft gegeven dat hij er ook geen bezwaar tegen heeft als de raad de bouwmogelijkheden van een woonbestemming voor zijn perceel beperkt tot de vergunde afmetingen.
Het betoog slaagt.
9.3. Wat betreft het gebruik als woning overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft beoogd met het plan te voorzien in een uitsterfregeling voor het gebruik als woning voor het perceel van [appellant sub 1]. Dit heeft de raad beoogd te regelen door in artikel 2 vanPro de planregels een verwijzing op te nemen naar de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Epe, Herstelplan 2018", waarbij is bepaald dat de planregels van dit herstelplan blijven gelden, en door aan het perceel van [appellant sub 1] de aanduiding ‘wonen’ toe te kennen. Zoals op de zitting is vastgesteld is met deze verwijzing echter niet in een uitsterfregeling voor het gebruik als woning voorzien, zoals de raad veronderstelde. Weliswaar zijn de planregels van het herstelplan uit 2018 blijven gelden voor percelen die ook binnen het plangebied van dat herstelplan vallen, maar het perceel van [appellant sub 1] maakt geen onderdeel uit van het plangebied van dat herstelplan. Daardoor geldt de in artikel 3.3 van het herstelplan uit 2018 opgenomen uitsterfregeling voor percelen met de bestemming "Recreatie - recreatiewoning" en de aanduiding ‘wonen’ niet voor het perceel van [appellant sub 1].
Daarentegen zijn door de verwijzing in artikel 2 vanPro de planregels naar de regels van het moederplan, die regels wel blijven gelden voor het perceel van Bussel, omdat zijn perceel wel onderdeel is van het moederplangebied. Dit heeft tot gevolg dat met het toekennen van de aanduiding ’wonen‘ aan het perceel van [appellant sub 1], in weerwil van de bedoeling van de raad, het gebruik als woning permanent mogelijk is gemaakt. Dit omdat op grond van artikel 18.4, onder a, van de moederplanregels het gebruik als woning zonder beperkingen is toegestaan binnen de aanduiding ‘wonen‘.
Het voorgaande komt - kort samengevat - erop neer dat de aanduiding ‘wonen’ uit het moederplan uit 2017 voorzag in onbeperkte permanente bewoning van recreatiewoningen en dat in het herstelplan uit 2018 is aangepast naar een uitsterfregeling. Maar het perceel van [appellant sub 1] is geen onderdeel van dat herstelplan en daardoor geldt de uitsterfregeling niet voor zijn perceel. Dit leidt wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat het gebruik als woning niet zou zijn toegestaan, tot de conclusie dat dit betoog niet slaagt omdat dit gebruik wel als zodanig is bestemd. De Afdeling hecht eraan op te merken dat het alsnog regelen van een uitsterfregeling voor het gebruik als woning in dit geval niet voor de hand ligt, gelet op wat hiervoor onder 9.2 is overwogen over de planologische inpassing van de woning.
Afmetingen vergunde bebouwing
10. [appellant sub 1] betoogt verder dat de afmetingen van de in 1999 vergunde woning en het bijgebouw ten onrechte niet positief zijn bestemd. Hij voert aan dat met het opnemen van artikel 3.1 van de planregels van het plan en het op de planverbeelding opnemen van een aanduiding "specifieke bouwaanduiding- bestaande inhoud" alleen de bestaande inhoud van de vergunde woning positief is bestemd, maar dit niet geldt voor de oppervlakte en de hoogte van de woning en het vergunde bijgebouw.
10.1. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat met het plan is beoogd om de vergunde afmetingen als uitgangspunt te nemen voor de voor het perceel geldende maximale maatvoering. Ter zitting heeft de raad erkend dat in het plan ten onrechte alleen de inhoudsmaat is meegenomen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Daarbij komt dat het besluit van het college van burgemeesters en wethouders van 25 november 1999 waarmee de woning is vergund, blijkens het besluit en de daarbij horende tekening en de aanvraag niet alleen ziet op een woning maar ook op een bijgebouw. Ook de vergunde afmetingen van dit bijgebouw zijn ten onrechte niet als zodanig bestemd.
Het betoog slaagt.
Beroep van [appellant sub 3]
11. [appellant sub 3] betoogt dat de eerder uitgevoerde woningsplitsing van de voormalige boerderij op de percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Epe ten onrechte niet is meegenomen in het plan. [appellant sub 3] voert aan dat voor de woningsplitsing al in 2003 een vergunning is verleend. Verder wijst hij erop dat de percelen kadastraal zijn gescheiden en de woningen afzonderlijke huisnummers hebben en voor de woningen ook afzonderlijk onroerendezaakbelasting wordt betaald.
Hij stelt dat de raad in het plan op zijn minst had moeten voorzien in een aanduiding waaruit volgt dat de voormalige boerderij door twee huishoudens mag worden bewoond. Door dit niet te doen is de feitelijke, legale bestaande situatie nu in strijd met het bestemmingsplan, aldus [appellant sub 3].
11.1. In het STAB-deskundigenbericht staat dat de voormalige boerderij op de [locatie 1] en [locatie 2] bestaat uit twee delen die beide geheel zelfstandig te gebruiken zijn als woning. Overigens is tussen partijen ook niet in geschil dat deze gebouwdelen, die ieder een eigen huisnummer hebben, al lange tijd feitelijk als twee zelfstandige woningen worden gebruikt.
In het plan heeft het perceel aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Epe de bestemming "Wonen". Op grond van artikel 26.1, aanhef en onder, van het moederplan geldt voor gronden met deze bestemming dat per bestemmingsvlak ten hoogste 1 woning is toegestaan, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal woningen".
Het perceel heeft deze aanduiding niet. Gelet op de planregels is ter plaatse dan ook maximaal 1 woning toegestaan.
Op grond van artikel 1.97 van de planregels van het moederplan is een woning een gebouwd of een gedeelte van een gebouw dat krachtens aard en indeling geschikt en bestemd is voor de huisvesting van een huishouden.
Op grond van de planregels is bewoning van de voormalige boerderij, voor zover deze als één woning moet worden aangemerkt, door twee huishoudens in zoverre dan ook niet toegestaan.
11.2. Ter zitting heeft de raad kenbaar gemaakt dat het geen ruimtelijke bezwaren heeft tegen de huisvesting van twee huishoudens in de voormalige boerderij. De raad heeft zich in verweer op het standpunt gesteld dat het vanwege de vergunning uit 2003 echter niet nodig is om de huisvesting van twee huishoudens ook planologisch mogelijk te maken, omdat met deze vergunning impliciet vrijstelling is verleend van het destijds geldende plan om de huisvesting van twee huishoudens in de voormalige boerderij toe te staan. De Afdeling volgt de raad niet in dit standpunt. De Afdeling stelt vast dat de in 2003 verleende bouwvergunning ziet op de feitelijke wijziging van de indeling van de voormalige boerderij. Anders dan de raad heeft gesteld kan uit de vergunning uit 2003 niet worden opgemaakt dat daarmee impliciet ook een vergunning is verleend voor het in strijd met het destijds geldende plan gebruiken van de voormalige boerderij voor de huisvesting van twee huishoudens. Zelfs indien dit wel het geval zou zijn, is dat geen reden om een regeling in dit plan achterwege te laten. Het is immers vaste jurisprudentie van de Afdeling dat in een bestemmingsplan een bestaande, legale situatie in beginsel als zodanig moet worden bestemd.
Nu de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen ruimtelijke bezwaren zijn tegen de huisvesting van twee huishoudens in de voormalige boerderij is de Afdeling van oordeel dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Hierbij merkt de Afdeling op dat het toestaan van twee huishoudens in één woning door middel van een aanduiding op de verbeelding ter plaatse van het perceel van [appellant sub 3] en een bijbehorende planregel dat dit niet als strijdig gebruik wordt aangemerkt, niet leidt tot een verdubbeling van de bouwmogelijkheden binnen de bestemming "Wonen" zoals de raad ter zitting stelde, aangezien de bouwmogelijkheden niet zijn gekoppeld aan het aantal huishoudens, maar aan het aantal toegestane woningen en dat wijzigt daardoor niet.
Het betoog slaagt.
Conclusie
12. De beroepen van [appellant sub 2], de vereniging en van [appellant sub 4B] zijn ongegrond. Deze uitspraak is in zoverre een einduitspraak, zodat de procedure voor [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 4B] ten einde komt.
12.1. Wat betreft de beroepen van [appellant sub 5], [appellant sub 1] en [appellant sub 3] heeft de Afdeling in overwegingen 7.1, 9.2, 10.1 en 11.2 gebreken geconstateerd in het besluit van 27 januari 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Epe, Herstelplan 2020". Zoals hierna wordt overwogen past de Afdeling hiervoor de bestuurlijke lus toe. Deze uitspraak is in zoverre een tussenuitspraak, zodat de procedure wat betreft deze beroepen nog niet ten einde komt.
Bestuurlijke lus
13. Op grond van artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
13.1. Met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil zal de Afdeling de raad daarom opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het plan te herstellen. Dit kan de raad doen door:
- het perceel van [appellant sub 5] alsnog op te nemen in het plangebied en de vergunde afmetingen van de recreatiewoning van [appellant sub 5] op te nemen in het plan;
- De bestaande legale woning van [appellant sub 1] alsnog positief als woning te bestemmen en alsnog de vergunde afmetingen van de woning en het bijgebouw van [appellant sub 1] op te nemen in het plan;
- alsnog het gebruik van de voormalige boerderij van [appellant sub 3] door twee huishoudens in het plan mogelijk te maken en voor dit planonderdeel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen.
De Afdeling wijst er op dat het in de rede ligt dat de raad [appellant sub 5], [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betrekt bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit.
13.2. De raad moet de Afdeling, [appellant sub 5], [appellant sub 1] en [appellant sub 3] de uitkomst meedelen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast. Op een nieuw of gewijzigd besluit blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 25.4).
Proceskosten en griffierecht
14. Omdat de beroepen van [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 4B] ongegrond zijn hoeft de raad de door hen gemaakte proceskosten en betaalde griffierechten niet te vergoeden.
15. In de einduitspraak wordt voor de beroepen van [appellant sub 5], [appellant sub 1] en [appellant sub 3] beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], [appellant sub 4B] en de Vereniging Natuur en Milieu Epe, ongegrond;
II. draagt de raad van de gemeente Epe op om:
a. binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat in deze tussenuitspraak is overwogen
onder 7.1, 9.2, 10.1 en 11.2, de gebreken in het besluit van 27 januari 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Epe, Herstelplan 2020" te
herstellen; en
b. de Afdeling en [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], [appellant sub 1] en [appellant sub 3] de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.