ECLI:NL:RVS:2026:617

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202407926/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WobArt. 8:29 AwbWet openbaarheid van bestuurAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek om openbaarmaking documenten en schadevergoeding Wob Maastricht UMC+

In deze zaak heeft appellant op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) informatie opgevraagd over een project waarbij Maastricht UMC+ (MUMC) een nierdialyseafdeling wilde vestigen in een voormalig hotel. MUMC heeft het verzoek deels afgewezen en de rechtbank Limburg heeft dit deels vernietigd, waarbij bepaalde documenten alsnog openbaar moesten worden gemaakt, maar twee specifieke documenten werden geweigerd vanwege interne beleidsopvattingen.

Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de weigering van deze documenten had geaccepteerd en dat de zoekslag naar documenten onvoldoende was geweest. Ook betwistte hij de afwijzing van zijn schadeverzoek. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat er meer documenten zijn dan reeds openbaar gemaakt en dat de twee documenten terecht zijn geweigerd omdat zij persoonlijke beleidsopvattingen bevatten die herleidbaar zijn tot een beperkte groep medewerkers.

Verder is vastgesteld dat appellant zijn schadeverzoek niet voldoende heeft onderbouwd, ook al heeft hij dit in hoger beroep beperkt tot het grensbedrag van € 25.000. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

202407926/1/A3.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 november 2024 in zaak nr. 21/2722 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Raad van Bestuur van Maastricht UMC + (hierna: MUMC).
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2021 heeft MUMC het verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) deels afgewezen.
Bij besluit van 20 augustus 2021 heeft MUMC het bezwaar van [appellant], voor zover van belang, deels ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 augustus 2021 vernietigd voor zover daarbij (deels) is geweigerd de in beroep alsnog openbaar gemaakte documenten openbaar te maken, bepaald dat die documenten alsnog openbaar gemaakt moeten worden en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 20 augustus 2021.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
MUMC heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
MUMC heeft de Afdeling verzocht om met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de overgelegde niet openbaar gemaakte documenten niet aan [appellant] te verstrekken.
[appellant] heeft de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grondslag van deze gedingstukken uitspraak te doen.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2025, waar [appellant] en MUMC, vertegenwoordigd door mr. R.A.H. Vlecken en mr. J.M.B. Gorissen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] en MUMC hebben in de periode 2008 tot 2013 samengewerkt. MUMC wilde in het voormalig hotel Juliana in Valkenburg aan de Geul een nierdialyseafdeling vestigen in combinatie met een hotelaccommodatie (hierna: het project). MUMC huurde hiervoor een gedeelte van het hotel van [appellant]. Uiteindelijk is hierover een civielrechtelijk conflict ontstaan waarover is geprocedeerd en welk geschil grotendeels geëindigd met het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 mei 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1890.
Op 20 juni 2020 heeft [appellant] MUMC met een beroep op de Wob verzocht om hem informatie te verstrekken over het project. Als toelichting heeft [appellant] een opsomming gegeven van de onderwerpen waarop de volgens [appellant] gevraagde informatie betrekking zou hebben. Hierop zijn gedurende de procedure steeds meer documenten (behoudens weggelakte persoonsgegevens) openbaar gemaakt. De vragen die nog voor liggen is of er voldoende documenten openbaar zijn gemaakt en verstrekt, en of de openbaarmaking van twee specifieke documenten met toepassing van de weigeringsgronden van de Wob, integraal geweigerd mocht worden.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer documenten zijn dan de documenten die MUMC heeft gevonden. Naar haar oordeel is de zoekslag juist en volledig geweest. [appellant] heeft geen argumenten aangedragen die zien op de wijze van zoeken en de zoektermen en zijn stelling dat het ongeloofwaardig is dat er maar één besluit van MUMC beschikbaar zou zijn, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de zoekslag. Zeker nu MUMC heeft gesteld dat niet elk bestuursbesluit met een ‘groentje’ - een voorlegnotitie ter voorbereiding van een besluit van de raad van bestuur- tot stand is gekomen, maar dat MUMC ook met mandaten heeft gewerkt.
Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat MUMC de openbaarmaking van documenten 68 en 74 integraal heeft mogen weigeren op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob, omdat die documenten zijn opgesteld voor intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. De rechtbank heeft hierbij het standpunt van MUMC gevolgd dat in dit geval de persoonlijke beleidsopvattingen niet openbaar gemaakt kunnen worden omdat die opvattingen herleid kunnen worden tot individuen, omdat een beperkte groep van medewerkers met bepaalde expertises en functies betrokken is bij dit project.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat zij niet bevoegd is om over het verzoek om schadevergoeding van [appellant] te oordelen omdat het door hem verzochte bedrag ruimschoots het grensbedrag van € 25.000,00 heeft overschreden.
Hoger beroep
3.       [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de twee specifieke documenten niet door MUMC openbaar gemaakt mochten worden wegens persoonlijke beleidsopvattingen. Volgens [appellant] gaat de rechtbank hier zonder meer in mee en heeft de rechtbank de documenten zelfs niet ingezien, aldus [appellant].
Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de zoekslag juist en volledig is geweest. Volgens [appellant] is het onbestaanbaar dat er niet meer documenten van de raad van bestuur zijn in dit miljoenenproject. Daarnaast geeft het oordeel van de rechtbank dat de documenten persoonlijke beleidsopvattingen bevatten die herleidbaar zijn tot een kleine groep aan dat er wel ‘groentjes’ moeten zijn. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de opmerking van de oud-voorzitter van MUMC in de door hem in het civiele geschil en in het kader van een voorlopig getuigenverhoor op 21 maart 2016 afgelegde verklaring onder ede over de "groentjes" een algemene opmerking is. Aan deze verklaring kan volgens [appellant] niet de betekenis worden toegekend die de rechtbank daaraan heeft gegeven. De oud-voorzitter licht volgens hem toe hoe normaal wordt gehandeld bij de besluitvorming door de raad van bestuur wat een aanwijzing geeft dat er wel degelijk "groentjes" moeten zijn met betrekking tot meer dan één besluit van de raad van bestuur.
Tot slot betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Volgens [appellant] is dat oordeel ronduit kinderachtig, omdat de hoogte van het bedrag bij de mondelinge behandeling ter sprake is gekomen en hij toen met een maximaal toe te kennen bedrag akkoord is gegaan, aldus [appellant].
Beoordeling
4.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is, na duidelijk kennis te hebben genomen van de ongelakte documenten, gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9.2, 9.3 en 9.4 ,13, 13.1 en 14.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Zij voegt daaraan nog toe dat [appellant] ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer documenten bij MUMC moeten berusten. Hiertoe acht de Afdeling van belang dat ter zitting MUMC, net als al eerder bij de rechtbank, het besluitvormingsproces binnen de organisatie en de raad van bestuur heeft toegelicht en [appellant] niet concreet heeft gemaakt dat er toch bepaalde ‘groentjes’ zouden zijn met betrekking tot door hem gestelde en door MUMC weersproken nadere bestuursbesluiten. De onder geheimhouding verstrekte twee documenten bevatten verder in zijn geheel beleidsopvattingen en zijn terecht integraal geweigerd. Daarnaast merkt de Afdeling op dat niet is gebleken dat [appellant] zijn schadeverzoek in beroep heeft beperkt tot € 25.000,00, zodat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard.
5.       In hoger beroep heeft [appellant] zijn schadeverzoek alsnog beperkt tot € 25.000,00. Hij heeft echter niet onderbouwd dat hij schade heeft geleden als gevolg van besluitvorming rond de openbaarmaking op grond van de Wob. Hierom moet zijn schadeverzoek worden afgewezen.
Slotsom
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
7.       MUMC hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
802-1158