202501637/1/A3.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Eibergen, gemeente Berkelland,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 februari 2025 in zaak nr. 23/7305 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2023 heeft het college de nummering [A] en [B] ingetrokken van het pand aan de J.W. Hagemanstraat in Eibergen en voor het pand het nummer [A] vastgesteld.
Bij besluit van 28 september 2023 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en aanleiding gezien om het besluit aan te passen en niet nummer [A] toe te kennen, maar nummer [B].
Bij uitspraak van 6 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door G.J. Bomer en M. Rabbers, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is eigenaar van het pand aan de J.W. Hagemanstraat in Eibergen. Dit pand bestaat uit twee verhuurbare gebruiksdelen. Vanwege de inwerkingtreding van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (hierna: de Wet BAG) op 1 juli 2009 heeft het college bij formaliseringsbesluit van 23 juni 2009 voor het pand de nummering [A] en [B] toegekend. Het college heeft nummer [B] evenwel niet opgenomen in de BAG-registratie. In 2013 en 2021 heeft [appellant] het college erop gewezen dat de nummers [A] en [B] wel geregistreerd stonden in het kadaster. [appellant] heeft de beheerder van het kadaster verzocht om dit aan te passen in de BAG-registratie, maar het college bleek hiertoe bevoegd te zijn. Naar aanleiding van een onderzoek ter plaatse op 21 april 2021 heeft het college vastgesteld dat er maar sprake is van één verblijfobject als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder m, van de Wet BAG. Maar bij besluit van 28 december 2021, heeft het college alsnog, naast nummer [A] nummer [B] toegekend. Volgens een medewerker van de afdeling BAG zou naar aanleiding van een inpandige opname en controle van het archief blijken dat er toch twee verblijfsobjecten waren op basis van een tekening uit 1980.
2. Desondanks is nummer [B] vervolgens toch weer niet toegekend in de BAG-registratie. Bij het voorliggende besluit van 24 april 2023 heeft het college besloten per die datum nummer [B] alsnog in de BAG-registratie op te nemen. Bij datzelfde besluit van dezelfde datum heeft het college ook de nummering [A] en [B] ingetrokken en voor het pand de nummeraanduiding [A] vastgesteld. Hieraan heeft het college het onderzoek ter plaatse door een handhaver van de gemeente op 21 april 2021 ten grondslag gelegd, omdat toen feitelijk is gebleken dat het pand bestaat uit één verblijfsobject. Het college heeft het bezwaar van [appellant], ook na een onderzoek ter plaatse op 14 juni 2023, ongegrond verklaard. Omdat de toiletten gedeeld worden, is volgens het college sprake van één verblijfsobject. Het college heeft wel aanleiding gezien de nummeraanduiding [A] te wijzigen in [B].
Uitspraak van de rechtbank
3. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college één nummer toewijzen aan het pand van [appellant]. Het pand is weliswaar bestemd voor de huisvesting van twee afzonderlijke gebruiksdelen (kantoor en of gezondheidspraktijk) die echter gebruikmaken van gedeelde toiletten. Vast staat dat de gebruiksdelen niet beschikken over een eigen toilet. Dit betekent dat in die ruimten niet per gebruiksdeel de vereiste basisvoorzieningen voor de bedrijfsvoering aanwezig zijn. Daarmee zijn deze ruimten niet functioneel zelfstandig en dus geen afzonderlijke verblijfsobjecten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder m, van de Wet BAG. De situatie in een naastgelegen pand is verder niet vergelijkbaar.
Verder is artikel 6, eerste lid, van de Wet BAG dwingend geformuleerd, zodat, naar het oordeel van de rechtbank, het college geen ruimte toekomt om een belangenafweging te maken. Hierdoor heeft het college geen ruimte om onder het overgangsrecht van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) Berkelland 2018 (hierna: de verordening) de oude nummeraanduiding te handhaven. Verder heeft de rechtbank nog overwogen dat van vooringenomenheid aan de zijde van het college niet is gebleken. Ook is [appellant] door het college in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven op de uitspraak van de voorzieningenrechter en is hem de mogelijkheid geboden om nader te worden gehoord, zodat hij niet wordt gevolgd in zijn betoog dat hij in strijd met de wettelijke bepalingen niet nader is gehoord. Tot slot is het bezwaar ongegrond verklaard en is, door enkel mee te gaan in het verzoek om nummer [B] toe te kennen, geen sprake van herroeping, zodat geen aanleiding bestond de proceskosten in bezwaar te vergoeden.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen gebrek zit in het horen omdat het college hem in de gelegenheid heeft gesteld om een reactie in te dienen en een afspraak te maken voor het horen. De rechtbank heeft door zich te richten op het college namelijk niet onderkend dat juist de adviescommissie hem nader had moeten horen.
Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat de besluitvorming wegens vooringenomenheid is beïnvloed. Hij betoogt hiertoe dat uit de door hem aangevoerde omstandigheden wel degelijk vooringenomenheid blijkt. De rechtbank heeft volgens [appellant] ook ten onrechte geoordeeld dat de twee gebruiksdelen in het pand niet functioneel zelfstandig zijn en dat in het naast gelegen pand geen vergelijkbare situatie is.
[appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college geen belangenafweging toekomt en geen ruimte heeft om onder het overgangsrecht de oude huisnummering te handhaven. Volgens [appellant] is het overgangsrecht van toepassing en moest daarom een belangenafweging worden gemaakt. Dit volgt ook uit de memorie van toelichting bij de Wet BAG (Kamerstukken II, 2006/07, 30 968, nr. 3). De wetgever wilde gemeentebesturen de gelegenheid bieden om bestaande huisnummers te laten bestaan. In de modelverordening van de Vereniging Nederlandse Gemeenten is dan ook welbewust een bepaling over overgangsrecht opgenomen om gevestigde belangen en rechten met betrekking tot de huisnummers te beschermen. In zijn geval is met het oog op de inwerkingtreding van de Wet BAG bij formaliseringsbesluit van 23 juni 2009 daarom terecht ervoor gekozen om de nummers [A] en [B] te handhaven.
Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te kennen onrechtmatigheid ten aanzien van de toekenning van nummer [B] in bezwaar. Het besluit van 24 april 2023 bestond uit twee deelbesluiten, namelijk het intrekken van de bestaande nummering en het toekennen van een nieuw nummer. Bij dat laatste besluit was niet goed gemotiveerd waarom is gekozen voor nummer [A]. Door in het besluit op bezwaar alsnog nummer [B] toe te kennen, het nummer dat wordt gebruikt door de huidige huurster, is wel degelijk sprake van een herroeping van het bestreden besluit van 24 april 2023, aldus [appellant].
Beoordeling
5. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank ten onrechte ervan uitgegaan dat het toekennen van nummer [B] een gunst betreft en geen herroeping. Zoals in het besluit van 28 september 2023 staat, heeft het college immers aanleiding gezien om zijn besluit van 24 april 2023, waarvan het dictum in dit geval specifiek de nummeraanduiding betreft, aan te passen en nummer [B] toe te kennen. Uit de motivering volgt verder dat het college het betoog in bezwaar volgt dat de toekenning van nummer [B] om diverse redenen gewenst is. Het college is verder niet uitdrukkelijk ingegaan op de bezwaargronden die betrekking hebben op de keuze voor nummer [A] , zodat de Afdeling uit de gekozen bewoordingen afleidt dat het college het bezwaar in ieder geval deels volgt en de onrechtmatigheid van het besluit van 24 april 2023 ten aanzien van het toegekende nummer heeft erkend. Door alsnog nummer [B] toe te kennen, waarover [appellant] al jarenlang heeft geprocedeerd, heeft het college het besluit van 24 april 2023 dan ook herroepen, zodat aanleiding bestond de proceskosten te vergoeden. Het hoger beroep is om deze reden gegrond.
6. De overige gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.1, 6.1, 7.1, 8.1, 9.1 en 10.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Zij voegt daaraan nog toe dat, ondanks wat [appellant] aanvoert, niet is gebleken dat de situatie bij de naast elkaar gelegen panden gelijk is. De rechtbank is terecht ook tot dat oordeel gekomen.
Slotsom
7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Het beroep is gelet op wat onder 5 is overwogen gegrond en het besluit van 28 september 2023 wordt vernietigd, voor zover het college het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar heeft afgewezen. Het beroep is voor het overige ongegrond.
8. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 februari 2025 in zaak nr. 23/7305;
III. verklaart het beroep gegrond, voor zover het ziet op de afwijzing van het verzoek om de proceskosten in bezwaar te vergoeden;
IV. verklaart het bezwaar voor het overige ongegrond;
V. vernietigt het besluit van 28 september 2023, kenmerk 762051, voor zover het college het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar heeft afgewezen;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Berkelland tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 130,95;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Berkelland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 473,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
802-1158