ECLI:NL:RVS:2026:631

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202505846/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.8b WHW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging negatief bindend studieadvies ondanks persoonlijke omstandigheden

De appellant volgt sinds het studiejaar 2022-2023 de bacheloropleiding Mondzorgkunde aan Hogeschool Inholland. Vanwege persoonlijke omstandigheden werd het bindend studieadvies (BSA) uitgesteld, met de voorwaarde dat uiterlijk 31 juli 2025 het volledige propedeutische programma van 60 studiepunten behaald moest zijn. De appellant behaalde slechts 57 studiepunten, waardoor niet aan de norm werd voldaan.

De directeur van het domein Gezondheid, Sport en Welzijn gaf op 17 juli 2025 een negatief bindend studieadvies, na advies van de studentendecaan die oordeelde dat de persoonlijke omstandigheden onvoldoende causaal verband hadden met het niet behalen van de norm. Het College van beroep voor de examens (CBE) verklaarde het administratief beroep van appellant ongegrond.

De appellant voerde aan dat het advies van de studentendecaan onvolledig was en dat niet alle persoonlijke omstandigheden waren betrokken, waaronder medische verklaringen. Ook stelde zij dat het NBSA onevenredig was omdat zij nog slechts één vak moest halen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het late melden van de omstandigheden en het ontbreken van een causaal verband rechtvaardigen dat het NBSA werd afgegeven. Ook was het betrekken van professioneel gedrag en begeleidbaarheid in de beoordeling niet in strijd met de wet.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het CBE hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het negatieve bindend studieadvies is ongegrond verklaard en het NBSA blijft van kracht.

Uitspraak

202505846/1/A2.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
College van beroep voor de examens van Hogeschool Inholland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2025 heeft de directeur van het domein Gezondheid, Sport en Welzijn (de directeur) aan [appellante] een negatief bindend studieadvies (NBSA) gegeven.
Bij beslissing van 18 september 2025 heeft het CBE het daartegen door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
1.       [appellante] volgt sinds het studiejaar 2022-2023 de bacheloropleiding Mondzorgkunde aan de Hogeschool Inholland. Het bindend studieadvies is vanwege persoonlijke omstandigheden in het studiejaar 2022-2023 en 2023-2024 uitgesteld. Bij het uitstel is haar te kennen gegeven dat zij uiterlijk op 31 juli 2025 het gehele propedeutische programma van 60 studiepunten behaald moet hebben. Met het behalen van 57 studiepunten heeft [appellante] niet voldaan aan de uitgestelde norm.
2.       De directeur heeft op 17 juli 2025 na advies van de studentendecaan besloten dat de door [appellante] gemelde persoonlijke omstandigheden onvoldoende doorslaggevend zijn geweest voor het feit dat [appellante] het eerstejaarsprogramma niet succesvol heeft afgerond. Op basis van de studieresultaten, het professioneel gedrag, de beperkte begeleidbaarheid van [appellante] en het ontbreken van reflectieve vaardigheden heeft de directeur geconcludeerd dat zij op dit moment niet studiegeschikt wordt geacht voor de opleiding.
Beslissing van het CBE
3.       Het CBE heeft besloten dat de directeur een NBSA mocht afgeven. Daartoe heeft het overwogen dat persoonlijke omstandigheden een reden kunnen zijn om af te zien van het nemen van een NBSA in het geval de persoonlijke omstandigheden hebben geleid tot het niet behalen van de norm. Het CBE stelt in dit geval vast dat [appellante] het voorgaande studiejaar persoonlijke omstandigheden bij de decaan heeft gemeld en dat de decaan te kennen heeft gegeven dat deze omstandigheden hebben meegespeeld in de voorgaande studiejaren. In juli 2025 zijn twee adviezen afgegeven. Het laatste advies is gemaakt naar aanleiding van een nieuwe omstandigheid. De decaan adviseert daarbij als volgt: "Naar het oordeel van de decaan is er geen causaal verband tussen de gemelde omstandigheden en het niet behalen van de toets MTV 4". Het CBE ziet geen reden om af te wijken van de verklaring van de decaan. Gelet op het voorgaande heeft [appellante] volgens het CBE niet aannemelijk gemaakt dat zij de BSA-norm niet heeft gehaald vanwege persoonlijke omstandigheden zoals bedoeld in de OER.
Oordeel van de Afdeling
4.       [appellante] betoogt dat het CBE ten onrechte heeft besloten dat de directeur een NBSA mocht afgeven. Volgens haar is het betrokken advies van de studentendecaan niet concludent en onvolledig. Hoewel zij de omstandigheden laat heeft gemeld, kan de aard van deze omstandigheden niet in de weg staan aan een afweging achteraf. Ook heeft het CBE niet al haar persoonlijke omstandigheden betrokken of om een nieuw advies van de studentendecaan daarover gevraagd. Zij verwijst daarbij onder meer naar een verklaring van de praktijkondersteuner van 7 augustus 2025 en een brief van 8 augustus 2025 van de dermatoloog van het Erasmus MC. Zij wijst er ook op dat het examen en het herexamen voor het laatste vak kort na elkaar aan het einde van het jaar plaatsvonden, waardoor het aannemelijk is dat de medische en psychische klachten in de weg stonden aan het succesvol afronden van het vak. Ook is het NBSA onevenredig, omdat zij na drie jaar studeren nog maar één vak moet halen om te voldoen aan de norm. Tot slot betoogt zij dat de directeur in strijd met artikel 7.8b WHW het professionele gedrag, de beperkte begeleidbaarheid en het ontbreken van reflectieve vaardigheden heeft betrokken in zijn afweging om een negatieve BSA af te geven.
4.1.    Naar het oordeel van de Afdeling mocht de directeur in dit geval een NBSA afgeven. Daarbij betrekt zij dat de studentendecaan twee adviezen heeft afgegeven die ten grondslag lagen aan dat besluit. Het eerste advies van 11 juli 2025 is op 17 juli 2025 aangevuld vanwege door [appellante] toegezonden aanvullende bewijsstukken. Uit de adviezen volgt dat de studentendecaan in het voorgaande studiejaar met [appellante] heeft afgesproken om persoonlijke omstandigheden tijdig te melden. Toch heeft [appellante] pas op 3 juli 2025 gemeld dat zij als gevolg van persoonlijke (medische- en familie)omstandigheden die al veel langer spelen niet aan de norm heeft voldaan. De familieomstandigheden hebben plaatsgevonden in september 2024 en de structurele persoonlijke omstandigheden spelen al twee jaar. De Afdeling kan de conclusie van de studentendecaan dat zij door het niet tijdig melden van de omstandigheden geen causaal verband kan leggen tussen de omstandigheden en de ontstane studievertraging daarom volgen.
4.2.    Verder is de Afdeling van oordeel dat de directeur en het CBE ook in de aanvullende bewijsstukken over de medische toestand van [appellante] geen aanleiding heeft hoeven zien om het BSA opnieuw aan te houden. Daarover heeft de studentendecaan in een e-mail van 15 december 2025 laten weten dat de situatie van [appellante] in een casusbespreking van de studentendecanen is besproken en dat de studentendecanen geen aanleiding hebben gezien voor aanpassing van het oorspronkelijke advies. Verder heeft de studentendecaan ook op 17 oktober 2025 [appellante] per e-mail laten weten dat de aanvullende stukken de medische omstandigheid onderbouwen, maar dat deze niet verklaren dat het specifieke propedeusevak voor de zesde keer niet is behaald.
4.3.    Dat [appellante] nog maar drie studiepunten moet behalen om het programma uit de propedeutische fase af te ronden, leidt niet tot het oordeel dat de directeur geen NBSA mocht afgeven. Daarbij is van belang dat [appellante] zes toetskansen voor het vak Medische en tandheelkundige vakkennis 4 heeft gehad, maar dat het hoogst behaalde cijfer een 4,8 is. Ook is onweersproken toegelicht dat het een kernvak betreft dat voorspellende waarde heeft voor het verdere studieverloop. Het gaat om basiskennis waar de daaropvolgende studiejaren voortbouwen. Verder heeft [appellante] geen gebruikgemaakt van het aangeboden theorieonderwijs voor het nog openstaande vak en is zij niet ingegaan op het aanbod van de vakdocent om studenten die moeite hebben met het vak te begeleiden. Weliswaar heeft [appellante] gebruikgemaakt van de door de studiecoach aangeboden leerbegeleiding, maar dit was pas in het jaar 2025.
4.4.    De Afdeling volgt tot slot [appellante] niet in haar betoog dat de directeur het professionele gedrag, de beperkte begeleidbaarheid en het ontbreken van reflectieve vaardigheden niet mocht betrekken in zijn afweging voor een negatief BSA. Deze omstandigheden hangen in dit geval samen met de beoordeling van de directeur van de vraag of [appellante] geschikt is voor de opleiding en of daarbij alsnog te verwachten valt dat haar studieresultaten zullen voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Dit is dus niet in strijd met artikel 7.8b van de WHW.
4.5.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5.       Het beroep is ongegrond.
6.       Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
1120