ECLI:NL:RVS:2026:633

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202505603/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Regeling ongewenst gedragArt. 7.57h WHW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegang tot Hogeschool ontzegd wegens ongewenst gedrag en intimidatie

De decaan van de faculteit Business en Economie van de Hogeschool van Amsterdam heeft aan appellant, een tweedejaarsstudent Finance & Control, een ordemaatregel opgelegd waarbij hem van 15 april 2025 tot 1 september 2025 de toegang tot de gebouwen en voorzieningen van de HvA is ontzegd. Deze maatregel is gebaseerd op meerdere incidenten waarbij appellant zich verbaal en schriftelijk in strijd met de huisregels heeft uitgelaten, waaronder bedreigende en intimiderende e-mails en uitlatingen richting docenten.

Appellant betwist de beschuldigingen en stelt dat hij geen formele waarschuwing heeft ontvangen voorafgaand aan de maatregel. Tevens vindt hij de maatregel disproportioneel vanwege studievertraging. Het college handhaaft het besluit en wijst op eerdere gesprekken en de ernst van de gedragingen.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college voldoende heeft toegelicht dat appellant ongewenst gedrag heeft vertoond dat de orde en rust binnen de HvA verstoort. De intimidatie en bedreigingen in de communicatie zijn aannemelijk en overschrijden de grenzen van aanvaardbare communicatie. De maatregel is proportioneel en noodzakelijk voor een veilige leer- en werkomgeving. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de toegangsonzegging aan de student wegens ongewenst gedrag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202505603/1/A2.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
College van Bestuur van de Hogeschool van Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 15 april 2025 heeft de decaan van de faculteit Business en Economie van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) aan [appellant] een maatregel opgelegd, waarbij hem met directe ingang tot 1 september 2025 de toegang tot gebouwen, terreinen en andere voorzieningen van de HvA is ontzegd.
Bij beslissing van 19 september 2025 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.R.P. Bakker, advocaat in Amsterdam, beiden aanwezig via een videoverbinding, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Werner en [gemachtigde], zijn verschenen.
Overwegingen
1.       [appellant] volgt de opleiding Finance & Control aan de HvA. In het studiejaar 2024-2025 was hij tweedejaarsstudent.
2.       De decaan heeft [appellant] vanaf 15 april 2025 tot 1 september 2025 de toegang tot gebouwen, terreinen en andere voorzieningen van de HvA ontzegd. Daaraan heeft zij ten grondslag gezegd dat [appellant] zich op 17 december 2024, 22 januari 2025 en 28 februari 2025 verbaal of schriftelijk in strijd met de huisregels heeft uitgelaten. Het college heeft dit besluit onder verwijzing naar een advies van de geschillenadviescommissie van 17 september 2025 gehandhaafd.
Oordeel van de Afdeling
3.       [appellant] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten hem vanaf 15 april 2025 tot 1 september 2025 de toegang tot gebouwen, terreinen en andere voorzieningen van de HvA te ontzeggen. Allereerst betwist hij dat hij tegen een docent op 17 december 2024 heeft gezegd hem als de vijand te zien. Ook betwist hij dat hij in strijd heeft gehandeld met de Regeling ongewenst gedrag (de regeling). Verder wijst hij erop dat hij geen (formele) waarschuwing heeft gehad voorafgaand aan de oplegging van de ordemaatregel. Ook vindt hij de opgelegde maatregel disproportioneel, omdat hij daardoor 75 studiepunten niet heeft kunnen behalen, waarvan 45 studiepunten uit de hoofdfase, waardoor hij studievertraging oploopt.
3.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de uitlatingen gelet op het totale beeld intimiderend en bedreigend waren. Daarbij wijst het college erop dat eerder incidenten hebben plaatsgevonden waarover met [appellant] op 6 juni 2024 is gesproken. Vervolgens is er op 17 december 2024 een melding gedaan door een docent van een incident waarbij [appellant] tegen deze docent heeft gezegd dat hij hem als "de vijand ziet." Ook wijst het college op de inhoud van een e-mail van 22 januari 2025 en een e-mail van 28 februari 2025, beide afkomstig van [appellant]. Volgens het college was de opgelegde maatregel nodig om de orde en rust te herstellen. Ook vindt het college de maatregel proportioneel en gaat [appellant] uit van een onrealistische studieplanning.
3.2.    Op grond van artikel 1 van Pro de regeling wordt onder ongewenst gedrag verstaan: iedere vorm van agressie, geweld, discriminatie, (seksuele) intimidatie, pesten of machtsmisbruik die gevolgen heeft voor de uitoefening van de werkzaamheden of voor het ongestoord volgen van de studie. Daarbij wordt intimidatie gedefinieerd als het beïnvloeden van iemands gedrag door hem angst aan te jagen door te dreigen met negatieve gevolgen.
3.3.    [appellant] heeft in een e-mail van 22 januari 2025 aan de decaan het volgende geschreven: "Ook heb ik u aangegeven dat de optie voor de openbaring naar de publieke omroep niet buitengesloten kan worden. Wat zou er gebeuren voor [persoon]. Die n.t.b. die minister van onderwijs is geweest & de decaan van het HvA. Wat een schande misschien & misschien nog erger dan de belastingaffaire???" En: "Als laatste de aangifte, dit kan natuurlijk carriers kapot maken omdat bij fraude, oplichten, het verbreken van de HvA & overheid rechten en plichten verbreken, er strafmaatregelen zijn die de VOG ongeldig kunnen maken. Dit houdt in dat bij veroordeling de VOG ingetrokken wordt. Hiervoor zal ook gepleit voor worden en niemand wordt hiervan buitengesloten. Dit allemaal kan worden voor komen. Door de volgende punten te erkennen of mee in zee te gaan. Dit zijn de volgende punten."
3.4.    Verder heeft [appellant] in een e-mail van 28 februari 2025 aan een medewerker en de studentendecaan het volgende geschreven: "Samen met u had ik vrede afgesloten in uw voordeel en die van de betrokken docenten. Ik zie dat u hier misbruik van heeft gemaakt de afgelopen paar maanden en dit was de klap op de hamer die alles duidelijk heeft gemaakt. Door dat u misbruik heeft gemaakt van de vrede die wij hebben gesloten, heb ik toestemming om er niet meer aan te houden zoals u dat heeft gedaan. Dit is nu oorlog! Aankomende dinsdag uiterlijk woensdag zullen alle betrokken in de zaak een klacht krijgen via de klachtencomissie en uiteindelijk het gerechtshof voor specifieke werknemers waaronder u. In het gerechtshof zal ik met als specifiek doel een toetsing die gevolgen kan hebben voor uw Verklaring Omtrent Gedrag (VOG)."
3.5.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college navolgbaar toegelicht dat [appellant] ongewenst gedrag heeft vertoond. Daarbij betrekt zij dat de incidenten die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel niet op zichzelf staan. Naar aanleiding van eerdere incidenten heeft op 6 juni 2024 een gesprek plaatsgevonden tussen de opleidingsmanager, de decaan en [appellant]. Weliswaar is daar geen verslaglegging van of formele waarschuwing uit voortgekomen, maar [appellant] heeft op zitting erkend dat hem tijdens dat gesprek is medegedeeld dat hij een confronterende toon had. Daaruit had hij zonder meer moeten opmaken dat hij gewaarschuwd was.
3.6.    De Afdeling acht het verder aannemelijk dat docenten zich op basis van de inhoud en toonzetting van de door [appellant] verzonden e-mails geïntimideerd voelen. Uit de geciteerde passages blijkt dat hij expliciet en herhaaldelijk verwijst naar mogelijke ernstige gevolgen voor de medewerkers, hun loopbaan en de reputatie van de HvA. Door deze gevolgen op deze wijze en in deze context te benoemen en expliciet te koppelen aan individuele medewerkers, is het aannemelijk dat de betrokken medewerkers zich beperkt kunnen voelen om op te treden op een door hen wenselijk geachte wijze.
3.7.    Dat [appellant] stelt misstanden aan de orde te willen stellen, doet daar niet aan af. Weliswaar is het aankondigen van rechtmatige stappen, zoals een klacht bij de klachtencommissie, op zichzelf beschouwd niet ongeoorloofd, maar dat laat onverlet dat hij de aankondiging van deze maatregelen op zakelijke, neutrale en informerende wijze had behoren te formuleren. [appellant] had bijvoorbeeld kunnen volstaan met de feitelijke mededeling dat hij overwoog gebruik te maken van bestaande rechtsmiddelen zonder daarbij persoonlijke gevolgen te benadrukken of te suggereren. Door de mogelijke gevolgen expliciet en indringend te benoemen, heeft hij de grenzen van aanvaardbare communicatie overschreden en het ongestoord functioneren binnen de HvA belemmerd.
3.8.    Verder is de Afdeling van oordeel dat het college vanwege het ongewenste gedrag [appellant] vanaf 15 april 2025 tot 1 september 2025 de toegang tot gebouwen, terreinen en andere voorzieningen van de HvA heeft mogen ontzeggen. Zij acht, mede gelet op het belang van een veilige omgeving voor de werknemers van de HvA, de maatregel niet onevenredig. Daarbij betrekt zij dat de ordemaatregel was beperkt tot een duur van vier en een halve maand, waarvan een deel valt in de zomervakantie. Het college heeft ook navolgbaar toegelicht dat [appellant] uitgaat van een onrealistische studieplanning. Gelet op het studietempo van [appellant], waarbij hij in het eerste semester van zijn tweede studiejaar slechts 15 studiepunten heeft behaald, is het niet realistisch te verwachten dat hij in de vijf maanden waarin de ordemaatregel gold meer studiepunten zou behalen dan nominaal, laat staan 75 studiepunten. Bovendien heeft de opleiding een gespiegeld programma, waardoor alle onderwijseenheden zowel in het eerste semester als in het tweede semester kunnen worden gevolgd, en dus niet een heel jaar gewacht hoeft te worden voordat de gemiste onderdelen kunnen worden ingehaald.
3.9.    [appellant] is geen officiële waarschuwing gegeven voor eerder ongewenst gedrag. Dat is op grond van artikel 7.57h, tweede lid, van de WHW ook alleen vereist bij een definitieve ontzegging van de toegang of beëindiging van de inschrijving. De Afdeling merkt daarbij nog op dat [appellant] voorafgaand aan de ordemaatregel meermaals is uitgenodigd voor een gesprek, maar dat hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Hij heeft evenmin zijn zienswijze vooraf op schrift gezet.
3.10.  Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4.       Het beroep is ongegrond.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
1120