Art. 15 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 9 PaspoortwetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging verlies Nederlanderschap en afwijzing paspoortaanvraag na langdurig verblijf buiten EU
Appellant, geboren in Turkije en sinds 1989 Nederlander, is in 1999 naar de Verenigde Staten verhuisd en heeft in 2008 de Amerikaanse nationaliteit verkregen. Hij heeft sinds 2001 geen inschrijving meer in het Nederlandse bevolkingsregister en heeft sinds 2010 geen Nederlands paspoort meer ontvangen. In 2020 vroeg hij een nieuw paspoort aan, maar de minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat appellant volgens artikel 15 vanPro de Rijkswet op het Nederlanderschap zijn Nederlanderschap had verloren door tien jaar onafgebroken verblijf buiten Nederland en de EU met dubbele nationaliteit.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van de minister zorgvuldig was genomen, dat appellant voldoende duidelijkheid had over het risico van verlies van het Nederlanderschap en dat de minister de belangen van appellant zorgvuldig had afgewogen, mede op basis van een advies van de IND. De rechtbank vond geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en geen schending van artikel 8 EVRMPro.
In hoger beroep herhaalt appellant zijn bezwaren, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sluit zich aan bij de motivering van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het verlies van het Nederlanderschap leidt ook tot verlies van het EU-burgerschap, wat door de Afdeling als proportioneel wordt beoordeeld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister tot niet in behandeling nemen van de paspoortaanvraag wordt bevestigd.
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 februari 2024 in zaak nr. 23/2583 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2022 heeft de minister een paspoortaanvraag van [appellant] niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 10 maart 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 oktober 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D. Gürses, advocaat in Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mevrouw J.L.K. Hu, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft sinds zijn geboorte in Turkije in 1961 de Turkse nationaliteit. [appellant] is in 1977 in Nederland komen wonen en hij heeft in 1989 de Nederlandse nationaliteit verkregen. In 1999 is [appellant] naar de Verenigde Staten verhuisd en in 2001 is hij uit het Nederlandse bevolkingsregister uitgeschreven. [appellant] heeft in 2008 de Amerikaanse nationaliteit verkregen. [appellant] woont op dit moment nog steeds in de Verenigde Staten. Op 7 juni 2005 is aan [appellant] door het consulaat-generaal in Los Angeles een Nederlands paspoort verstrekt, dat geldig was tot 7 juni 2010. Daarna is aan [appellant] geen Nederlands reisdocument meer verstrekt.
1.1. [appellant] heeft op 28 februari 2020 bij het consulaat-generaal in San Francisco een Nederlands paspoort aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat [appellant] niet meer in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Volgens de minister heeft [appellant] zijn Nederlanderschap op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op de Nederlanderschap (hierna: Rijkswet) ten tijde van belang op 7 juni 2015 van rechtswege verloren. [appellant] heeft namelijk tien jaar eerder, op 7 juni 2005, voor het laatst een Nederlands reisdocument gekregen en sinds die tijd heeft hij buiten het Nederlands Koninkrijk en de EU gewoond terwijl hij in het bezit was van de Amerikaanse en de Turkse nationaliteit.
1.2. Met het verliezen van het Nederlanderschap heeft [appellant] ook zijn Unieburgerschap verloren. De minister heeft zijn besluit daarom mede gebaseerd op documenten die door [appellant] zijn aangeleverd om aan te tonen welke band hij met de EU had tot aan het moment dat hij zijn Nederlanderschap verloor en op een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) over de evenredigheid van het besluit. De IND heeft in dat advies geconcludeerd dat het verlies van het Unieburgerschap van [appellant] niet onevenredig is en het verlies van het Nederlanderschap daarom in stand kan blijven. De minister heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd. [appellant] is het niet eens met dit besluit en vindt dat de minister zijn aanvraag in behandeling had moeten nemen en aan hem een nieuw Nederlands paspoort had moeten geven.
Wettelijk kader
2. De relevante wettelijke bepalingen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat op grond van de bepaling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet voldoende duidelijk is welke gevallen tot verlies van het Nederlanderschap leiden en hoe dat indien gewenst kan worden voorkomen. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het de verantwoordelijkheid is van [appellant] om voldoende opmerkzaam te zijn op het naderende verlies van zijn Nederlanderschap. Nederlanders voor wie dit risico aan de orde is, mogen er niet op rekenen dat de overheid hen daar individueel voor waarschuwt, aldus de rechtbank.
3.1. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zijn besluit zorgvuldig heeft voorbereid mede door het inwinnen van advies bij de IND, de belangen van [appellant] daarbij zorgvuldig heeft meegewogen en in het besluit gemotiveerd is ingegaan op wat [appellant] in bezwaar naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [appellant] niet concreet heeft gemaakt waarom de minister het besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid of gemotiveerd en de belangen van [appellant] niet zorgvuldig heeft afgewogen.
3.2. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich bij de Unierechtelijke evenredigheidstoets mocht baseren op het advies van de IND. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in dat advies de banden van [appellant] met in Nederland wonende familieleden, zijn reisbewegingen naar Nederland en de door hem gestelde economische banden met Nederland uitvoering heeft bekeken. Volgens de rechtbank heeft de minister op goede gronden geconcludeerd dat [appellant] geen bewijs heeft geleverd van een familieleven in de EU dat verder zou gaan dan normale emotionele banden ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap, zodat een inbreuk op artikel 8 vanPro het Verdrag voor de rechten van de Mens niet aan de orde is. De belemmeringen die [appellant] stelt te ondervinden bij het onderhouden van familiebanden in Nederland, zijn volgens de rechtbank niet zo gewichtig dat de IND tot een andere conclusie had moeten komen. Verder heeft [appellant] volgens de rechtbank ook niet aannemelijk gemaakt dat het verlies van het Unieburgerschap ingrijpt in zijn economische banden met Nederland.
Beoordeling van het hoger beroep
4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen reden om die beoordeling onjuist te achten. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 12, 13 en 14 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hierboven zijn weergegeven.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
314-1171
BIJLAGE
Wettelijk kader
Paspoortwet
Artikel 9
1. Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 15
1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
[…]
c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd,
of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;
[…]
3. De periode bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten heeft, dan wel in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.
4. De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument, Nederlandse identiteitskaart of vervangende Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.