ECLI:NL:RVS:2026:656

Raad van State

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000100
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59 Vw 2000Art. 84 Vw 2000Art. 93 Vw 2000Art. 94 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake onrechtmatige voortzetting bewaring vreemdeling

Appellant werd op 26 juni 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De bewaring werd op 23 december 2025 verlengd, terwijl de maximale termijn van zes maanden op 22 december 2025 verliep. Appellant stelde beroep in tegen de voortzetting van de bewaring en de rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat de bewaring onrechtmatig werd voortgezet omdat de minister de verlenging niet tijdig had genomen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister uiterlijk op de dag van het verstrijken van de termijn een verlengingsbesluit had moeten nemen. Het te late besluit op 23 december 2025 maakte de voortzetting van de bewaring vanaf 22 december 2025 onrechtmatig.

De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende appellant een schadevergoeding toe over de periode van 22 tot en met 29 december 2025. Tevens werden de proceskosten ten laste van de minister toegekend. Omdat de bewaring op 29 december 2025 was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.

Uitkomst: De bewaring van appellant is onrechtmatig voortgezet na het verstrijken van de maximale termijn zonder tijdige verlenging, waardoor het hoger beroep gegrond is verklaard en een schadevergoeding is toegekend.

Uitspraak

BRS.26.000100
Datum uitspraak: 6 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 januari 2026 in zaak nr. NL25.63066 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 6 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend.
Overwegingen
Is de Afdeling bevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen?
1.        Appellant is op 26 juni 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Bij besluit van 23 december 2025 heeft de minister deze maatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden (verlengingsbesluit). Op diezelfde datum heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat zijn bewaring langer dan zes maanden voortduurde. Gelet op de door de rechtbank gekozen grondslag voor haar uitspraak (artikel 96 van Pro de Vw 2000) kan hiertegen geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
2.        Appellant betoogt dat de Afdeling toch bevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen, omdat de bewaring na overschrijding van de maximale termijn van zes maanden op 22 december 2025 materieel voortduurt en de minister de bewaring niet tijdig heeft verlengd.
2.1.        Zoals de Afdeling heeft overwogen in de door appellant aangehaalde uitspraak van 22 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:194, onder 3, is de vraag of de Afdeling bevoegd is van een hoger beroep kennis te nemen een vraag van openbare orde, waarover ambtshalve moet worden geoordeeld. Voor het oordeel over deze vraag is daarom niet langer de door de rechtbank gekozen grondslag voor haar uitspraak beslissend, maar welke grondslag zij voor haar uitspraak had behoren te kiezen. Aldus bestaat in die situatie geen noodzaak om het appelverbod op een daartoe strekkend verzoek te doorbreken, aangezien dit verbod dan niet bestaat.
2.2.        Appellant betoogt terecht dat in dit geval het beroep tegen het feitelijk voortduren van de bewaring een eerste beroep is. Zoals de Afdeling hierna zal toelichten, is de bewaringsmaatregel niet tijdig verlengd.
Zoals volgt uit de eerdergenoemde uitspraak van 22 januari 2018, onder 5, moet de feitelijke verlenging in zo’n geval gelijk worden gesteld met een besluit als bedoeld in artikel 93, eerste lid, van de Vw 2000. Tegen de uitspraak op een beroep tegen dat besluit staat ingevolge artikel 94, zevende lid, van de Vw 2000 hoger beroep open bij de Afdeling. De Afdeling ziet om die reden aanleiding van het hoger beroep kennis te nemen.
Bespreking hoger beroep
3.        Appellant klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000.
3.1.        Zoals de Afdeling heeft overwogen in de eerdergenoemde uitspraak van 22 januari 2018, onder 6, moet de minister, als zij de bewaring wil laten voortduren, reeds voor het verstrijken van de in de wet vastgelegde termijn van zes maanden vaststellen dat aan de wettelijke grondslag voor het verlengen van de duur van de bewaring is voldaan. Zonder deze beoordeling is voortzetting niet toegestaan.
Uit paragraaf A5/6.8 van de Vc 2000 volgt dat de minister uitvoering geeft aan deze verplichting door een verlengingsbesluit te nemen. Daarin stelt zij vast of voldaan is aan de vereisten voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor een vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat.
3.2.        Appellant wijst er terecht op dat voor het voortduren van de bewaring op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 niet voldoende is dat de minister alleen een verzwaarde belangenafweging maakt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
3.3.        Het verlengingsbesluit vormt de grondslag voor de voortzetting van de bewaring. In dit geval had de minister uiterlijk op 22 december 2025 een verlengingsbesluit moeten nemen. Op die datum verliep namelijk de maximale bewaringstermijn van zes maanden. Dat heeft de minister pas op 23 december 2025 gedaan. Daarom betoogt appellant terecht dat de bewaring met ingang van 22 december 2025 onrechtmatig is.
3.4.        De grief slaagt.
4.        De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerdere datum dan 22 december 2025 onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de bewaring op 29 december 2025 al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 januari 2026 in zaak nr. NL25.63066;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        kent aan appellant een vergoeding toe van € 800,00 over de periode van 22 december 2025 tot en met 29 december 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.        veroordeelt de minister tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026
1017