ECLI:NL:RVS:2026:656
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- J.Th. Drop
- V.V. Essenburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake onrechtmatige voortzetting bewaring vreemdeling
Appellant werd op 26 juni 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De bewaring werd op 23 december 2025 verlengd, terwijl de maximale termijn van zes maanden op 22 december 2025 verliep. Appellant stelde beroep in tegen de voortzetting van de bewaring en de rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de bewaring onrechtmatig werd voortgezet omdat de minister de verlenging niet tijdig had genomen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister uiterlijk op de dag van het verstrijken van de termijn een verlengingsbesluit had moeten nemen. Het te late besluit op 23 december 2025 maakte de voortzetting van de bewaring vanaf 22 december 2025 onrechtmatig.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende appellant een schadevergoeding toe over de periode van 22 tot en met 29 december 2025. Tevens werden de proceskosten ten laste van de minister toegekend. Omdat de bewaring op 29 december 2025 was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.
Uitkomst: De bewaring van appellant is onrechtmatig voortgezet na het verstrijken van de maximale termijn zonder tijdige verlenging, waardoor het hoger beroep gegrond is verklaard en een schadevergoeding is toegekend.