ECLI:NL:RVS:2026:674
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen voortduren vrijheidsontnemende maatregel
Bij besluit van 7 november 2025 legde de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel op. Appellant stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel, maar de rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het hoger beroep tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet mogelijk is, tenzij sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces. De omstandigheden die appellant aanvoerde, waaronder het ontbreken van een zitting in eerste aanleg zonder zijn medeweten, waren onvoldoende om het verbod op hoger beroep te doorbreken.
De Afdeling stelde vast dat appellant in eerste aanleg werd bijgestaan door een gemachtigde die toestemming gaf voor afdoening zonder zitting, en dat in het vervolgberoep wel een zitting heeft plaatsgevonden. Er was ambtshalve toetsing in beide procedures. Daarom concludeerde de Afdeling dat er geen sprake was van een oneerlijk proces en verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.