ECLI:NL:RVS:2026:678
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
Appellant heeft op 24 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat op 4 juli 2024 opnieuw ongegrond werd verklaard door de minister. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 17 december 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. Bij brief van 15 januari 2026 vroeg appellant om een nadere termijn voor het indienen van gronden, maar deze brief werd slechts als een pro-formahogerberoepschrift beschouwd. Omdat appellant geen gronden heeft ingediend binnen de wettelijke termijn, kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven.
De voorzieningenrechter verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 9 februari 2026 door voorzieningenrechter H.G. Sevenster.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.