ECLI:NL:RVS:2026:681
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 oktober 2023 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De minister verklaarde het bezwaar hiertegen op 7 februari 2025 ongegrond. De rechtbank Den Haag oordeelde op 23 december 2025 dat het besluit onrechtmatig was, vernietigde het en beval een nieuw besluit binnen zes weken.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter overwoog de belangen van beide partijen en besloot de voorlopige voorziening toe te kennen.
Hierdoor hoeft de minister de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter bepaalde tevens dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.