ECLI:NL:RVS:2026:685

Raad van State

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
202404866/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J. Schipper-Spanninga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning na beroep tegen bestuursrechtelijke uitspraak

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 19 maart 2021 de aanvraag van betrokkene voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 11 maart 2024 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 8 juli 2024 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en nam de motivering van de rechtbank over.

De Afdeling bevestigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene en werd een griffierecht opgelegd.

Deze uitspraak bevestigt de zorgvuldige toetsing van de verblijfsvergunningsaanvraag en benadrukt het belang van een correcte bestuursrechtelijke procedure bij vreemdelingenzaken.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202404866/1/V3.
Datum uitspraak: 5 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 juli 2024 in zaak nr. NL24.15043 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit 19 maart 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 11 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. U.H. Hansma, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 4.1 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.      bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026
918-1085