ECLI:NL:RVS:2026:686

Raad van State

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
202501768/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling procesbelang en inhoudelijke beoordeling hoger beroep tegen ministerieel besluit over laagvliegen

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant over een besluit van de minister van Defensie betreffende laagvliegen en ontheffingen voor oefeningen zoals Falcon Leap.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Procesbelang betekent dat het doel van het rechtsmiddel kan worden bereikt en van feitelijke betekenis is voor appellant. De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep gegrond.

Inhoudelijk oordeelt de Afdeling dat beam-naderingen geen onderdeel uitmaken van de ontheffing en dat laagvliegen binnen de oefening Falcon Leap is toegestaan zonder specifieke ontheffing van de minimumvlieghoogte. De bezwaren van appellant leiden niet tot een ander oordeel, zodat het beroep ongegrond wordt verklaard.

De minister van Defensie wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van appellant. De uitspraak bevestigt de toelating van laagvliegen binnen de geldende ontheffingen en benadrukt het belang van procesbelang bij ontvankelijkheid.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd, maar het beroep inhoudelijk ongegrond verklaard.

Uitspraak

202501768/1/A3.
Datum uitspraak: 6 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 7 maart 2025 in zaak nr. 24/2829 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Defensie.
Openbare zitting gehouden op 29 januari 2026 om 14:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. S.R. Renkema
Verschenen:
[appellant];
de minister, vertegenwoordigd door mr. B.J.A. Pellegrom, mr. F. Eftekhari en M.R. Barhorst.
De Afdeling
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 7 maart 2025 in zaak nr. 24/2829;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.      veroordeelt de minister van Defensie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 60,25;
V.       gelast dat de minister van Defensie aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Gronden:
Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
Gelet op de uitspraak van 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6427, overweging 8.1, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Afdeling zal dan ook het hoger beroep van [appellant] gegrond verklaren en de uitspraak van de rechtbank vernietigen. De Afdeling zal het beroep van [appellant], dat hij heeft ingesteld bij de rechtbank, inhoudelijk beoordelen.
Zoals in de uitspraak van 31 december 2025 is geoordeeld, maken beam-naderingen geen onderdeel uit van de ontheffing. Dat geldt ook voor de ontheffing voor de oefening Falcon Leap. De Afdeling begrijpt dat [appellant] zorgen heeft over vliegtuigen die laag overvliegen, maar dit betekent niet dat het niet is toegestaan. Zoals uit de uitspraak van 31 december 2025 blijkt, kunnen beam-naderingen ook buiten een oefening worden toegepast en hoeft daar, zoals ook in het geval van de oefening Falcon Leap, geen specifieke ontheffing van de minimumvlieghoogte voor te worden verleend. Al hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd maakt dat niet anders. Het beroep van [appellant] verklaart de Afdeling dan ook ongegrond.
De minister moet de in hoger beroep door [appellant] gemaakte kosten vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Renkema
griffier
1071