ECLI:NL:RVS:2026:693

Raad van State

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
202600391/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.19 VodaArt. 4:84 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vierde toetskans integratieve dag 1 advocatenopleiding

Verzoeker, sinds augustus 2022 voorwaardelijk ingeschreven advocaat, volgde de beroepsopleiding en legde het examenonderdeel 'integratieve dag 1' viermaal af. Na een herbeoordeling werd de derde toetskans op 19 juni 2025 met onvoldoende beoordeeld. Verzoeker vroeg de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten om een vierde toetskans, welke werd afgewezen op grond van het beleid dat maximaal drie toetskansen per onderdeel zijn toegestaan, tenzij sprake is van onbillijkheid van overwegende aard.

De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond, omdat hij geen overmacht aannemelijk had gemaakt en geen gebruik had gemaakt van alternatieven zoals het aanvragen van behoud van toetskans of een ander toetsmoment. Verzoeker stelde in hoger beroep dat het beleid onevenredig is en dat bijzondere persoonlijke omstandigheden, waaronder de geboorte van zijn kind met medische complicaties, hem verhinderden zich goed voor te bereiden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het beleid van de algemene raad niet onredelijk is en dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat hij geen alternatieven heeft benut. De uitvoeringsorganisatie bood expliciet de mogelijkheid om een ander toetsmoment te kiezen, maar verzoeker maakte hiervan geen gebruik. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot toelating tot een vierde toetskans wordt afgewezen.

Uitspraak

202600391/2/A3.
Datum uitspraak: 6 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (de rechtbank) van 27 januari 2026 in zaak nrs. 25/6358 en 25/6359 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten.
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2025 heeft de algemene raad het verzoek van [verzoeker] om in aanmerking te komen voor een vierde toetskans voor het examenonderdeel 'integratieve dag 1' afgewezen.
Bij besluit van 17 december 2025 heeft de algemene raad het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 januari 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[verzoeker] heeft nadere stukken overgelegd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 5 februari 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. M.I. Bal, advocaat in Arnhem, en de algemene raad, vertegenwoordigd door mr. H.C.E. de Kiefte en mr. E. Frieling, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2.       [verzoeker] is op 19 augustus 2022 beëdigd als advocaat en staat sindsdien voorwaardelijk ingeschreven op het tableau. Vanaf september 2022 volgt hij de beroepsopleiding voor advocaten. Onderdeel van deze beroepsopleiding is het vak ‘integratieve dag 1’. [verzoeker] heeft deze toets in totaal vier keer afgelegd. Het resultaat van de derde poging op 18 februari 2025 heeft de examencommissie na een verzoek om herbeoordeling aangepast van ‘onvoldoende’ naar ‘geen resultaat - met behoud van toetskans’. De nieuwe derde toetskans van 19 juni 2025 is opnieuw beoordeeld met een onvoldoende. [verzoeker] heeft de algemene raad vervolgens op 17 juli 2025 verzocht om in aanmerking te komen voor een vierde toetskans.
3.       Omdat [verzoeker] na afloop van zijn stageperiode niet aan de voorwaarden heeft voldaan voor het verkrijgen van een stageverklaring, heeft de algemene raad bij besluit van 29 januari 2026 bepaald dat [verzoeker] met ingang van 30 maart 2026 van het tableau wordt geschrapt.
Besluitvorming
4.       Op grond van artikel 3.19, vierde lid, van de Verordening op de advocatuur (Voda) kan een advocaat-stagiaire per onderdeel ten hoogste drie maal een toets afleggen. In het zesde lid van dit artikel is vastgelegd dat de algemene raad hiervan kan afwijken in gevallen waarin onverkorte toepassing zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze bepaling wordt ook aangeduid als de hardheidsclausule. In de Beleidsregel onderwijs en toetsen BA heeft de algemene raad vastgelegd in welke situaties het de hardheidsclausule toepast. Dit beleid houdt in dat de hardheidsclausule slechts wordt toegepast bij overmacht waardoor geen enkele toetskans met goed gevolg kon worden benut en dat alle andere mogelijkheden geen oplossing konden bieden. Bij dat laatste moet worden gedacht aan het aanvragen van het behoud van de toetskans als de advocaat-stagiaire door overmacht niet kan deelnemen aan de toets, het zelf bepalen van het derde toetsmoment of het verzoeken om een alternatieve wijze van toetsing.
5.       De algemene raad heeft het verzoek van [verzoeker] afgewezen. Volgens de algemene raad is [verzoeker] er niet in geslaagd om het causale verband aan te tonen tussen zijn persoonlijke omstandigheden en het niet behalen van de drie toetskansen. Dit betekent dat [verzoeker] er niet in is geslaagd om te onderbouwen dat er sprake is van overmacht bij deze toetskansen. Voor zover [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat de nieuwe derde toetskans van 19 juni 2025 geen reële toetskans was, overweegt de algemene raad dat [verzoeker] heeft ingestemd met deelname aan de derde toetskans en hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een andere, voor hem geschiktere, datum te kiezen.
De uitspraak van de rechtbank
6.       De rechtbank heeft het beroep van [verzoeker] ongegrond verklaard. De algemene raad is gehouden om in beginsel te handelen overeenkomstig zijn eigen beleid. De Afdeling heeft meermaals geoordeeld dat dit beleid niet onredelijk is en de rechtbank heeft geen aanleiding gezien om daar anders over te oordelen. [verzoeker] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om voor de eerste en tweede toetskans een behoud van de toetskans aan te vragen en ook heeft [verzoeker] niet aangetoond dat hij als gevolg van overmacht geen enkele toetskans met goed gevolg heeft kunnen afronden. Gelet hierop heeft de algemene raad in lijn zijn beleid gehandeld door de hardheidsclausule niet toe te passen. Van omstandigheden die maken dat de raad had moeten afwijken van dit beleid is volgens de rechtbank niet gebleken.
Het hoger beroep
7.       [verzoeker] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hier hoger beroep tegen ingesteld. Het hoger beroep van [verzoeker] komt er in de kern op neer dat hij vindt dat het beleid van de algemene raad onevenredig is. Hierbij betoogt [verzoeker] in de eerste plaats dat de rechtbank de beleidsregel buiten toepassing had moeten laten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. In de tweede plaats betoogt [verzoeker] dat de algemene raad toepassing had moeten geven aan artikel 4:84 van Pro de Awb. In dit kader voert [verzoeker] aan dat hij wegens uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden zich niet goed heeft kunnen voorbereiden op de toetskans van 19 juni 2025. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan, alsdus [verzoeker].
Het verzoek om voorlopige voorziening
8.       Op maandag 8 en dinsdag 9 februari 2026 zijn nieuwe toetsmomenten voor het vak ‘integratieve dag 1’. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij moet worden toegelaten tot dit toetsmoment, of te bepalen dat hij in aanmerking komt voor een alternatief toetsmoment. Hiermee beoogt [verzoeker] te bewerkstelligen dat hij voor 30 maart 2026 aan alle formele eisen voldoet zodat hij alsnog zijn stageverklaring kan krijgen.
Spoedeisend belang
9.       Net als in de beroepsprocedure heeft de algemene raad het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Daarover merkt de voorzieningenrechter het volgende op. De rechtbank heeft dit standpunt niet gevolgd en geoordeeld dat er wel sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter ziet in wat de algemene raad in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om, anders dan de rechtbank, geen spoedeisend belang aan te nemen. Daarbij is van belang dat [verzoeker] op de zitting heeft aangegeven dat hij zich bewust is van de zeer korte voorbereidingstijd die met een eventuele getroffen voorziening gemoeid zou zijn, maar dat hij desondanks van die mogelijkheid gebruik zou willen maken als zijn verzoek wordt toegewezen en dat zijn verzoek ook inhoudt eventueel een ander toetsmoment vast te stellen.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
10.     De voorzieningenrechter zal het verzoek van [verzoeker] beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. Dit betekent dat de voorzieningenrechter een inschatting maakt of de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure in stand zal blijven. Als de voorzieningenrechter in de beroepsgronden van [verzoeker] redenen vindt voor gerede twijfel aan de uitspraak van de rechtbank, dan kan dat aanleiding zijn om de gevraagde voorziening toe te wijzen.
11.     Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3292) is het niet onredelijk dat de algemene raad bij het toepassen van de hardheidsclausule een restrictief beleid voert. Dit beleid houdt in dat de hardheidsclausule slechts wordt toegepast bij overmacht waardoor geen enkele toetskans met goed gevolg kon worden benut. Met de rechtbank ziet de voorzieningenrechter in wat [verzoeker] heeft aangevoerd geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
12.     Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kunnen omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, niet alleen al daarom buiten beschouwing worden gelaten. Het bestuursorgaan moet aan de hand van alle omstandigheden van het geval nagaan of zich bijzondere omstandigheden voordoen in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb die maken dat het handelen in overeenstemming met de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840.
12.1.  De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van [verzoeker] zo dat de algemene raad in de omstandigheden waaronder hij zijn laatste toetskans heeft moeten afleggen aanleiding had moeten zien om af te wijken van het beleid. [verzoeker] heeft in dit kader uiteengezet dat de examencommissie bij besluit van 6 juni 2025 heeft besloten om de beoordeling van de kans van 18 februari 2025 om te zetten van ‘onvoldoende’ naar ‘geen resultaat - met behoud van toetskans’. Vrijwel direct na dit besluit werd telefonisch aan hem medegedeeld dat hij was ingeschreven voor de eerstvolgende toetskans op 19 juni 2025. Tijdens dit gesprek werd hem medegedeeld dat dit bovendien de enige mogelijkheid was om dit vak alsnog te halen, gelet op het naderende einde van zijn stageperiode. Volgens [verzoeker] was hij daardoor genoodzaakt om deze toetsmogelijkheid te accepteren, terwijl hij zich niet goed op de toets kon voorbereiden. Normaal staat een voorbereidingstijd van vier maanden voor dit vak. Daarbij moet volgens [verzoeker] ook de bijzondere omstandigheid in acht worden genomen dat zijn partner op 7 juni 2025 is bevallen van hun kind. De geboorte en de zorg voor zijn familie in de dagen erna heeft veel van zijn tijd in beslag genomen, ook omdat er sprake was van medische complicaties bij moeder en kind. Het in deze situatie vasthouden aan het beleid is volgens [verzoeker] onevenredig in verhouding tot het doel van de beleidsregel.
12.2.  De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat 19 juni 2025 het laatste reguliere toetsmoment was voor [verzoeker] om voor het einde van zijn stageperiode het vak ‘integratieve dag 1’ met voldoende resultaat af te ronden. De voorzieningenrechter ziet in wat [verzoeker] heeft aangevoerd echter onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [verzoeker] geen andere keuze had dan dit toetsmoment te accepteren. [verzoeker] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij zijn persoonlijke situatie heeft besproken met de uitvoeringsorganisatie Beroepsopleiding Advocaten (UO), om te bezien of het mogelijk was om een alternatief toetsmoment af te spreken. Dit terwijl [verzoeker] hier wel expliciet de gelegenheid toe is geboden in een e-mail van 6 juni 2025. Hierin schrijft de UO: "Laat het ons graag zo snel mogelijk weten als je de toets niet kunt maken vanwege de komst van jullie kindje". De lezing van [verzoeker] dat hiermee alleen is bedoeld de situatie dat zijn partner zou bevallen tijdens het toetsmoment, deelt de voorzieningenrechter niet. Uit de e-mail blijkt dat er vanuit de UO bereidheid was om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker]. Het had op de weg van [verzoeker] gelegen om tijdig melding te maken van zijn persoonlijke omstandigheden en te informeren naar mogelijke alternatieven. Door het maken van de toets heeft [verzoeker] het risico aanvaard dat de toets met een onvoldoende resultaat kon worden afgesloten. Net als de rechtbank is de voorzieningenrechter gelet hierop niet gebleken van omstandigheden die maken dat handelen overeenkomstig het beleid in dit geval onevenredig uitpakt.
13.     Gelet op bovenstaande ziet de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.
Conclusie
14.     Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
15.     De algemene raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026
1064