ECLI:NL:RVS:2026:70

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
202504782/1/R2 en 202504782/2/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om hardheidsclausule voor bodemwarmtepomp in grondwaterbeschermingsgebied

In deze zaak heeft de Raad van State op 14 januari 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van Stichting Elektoor om de hardheidsclausule in artikel 3.8 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant toe te passen. Elektoor had een aanvraag ingediend voor het plaatsen van een bodemwarmtepomp op het perceel Rijksweg-Zuid 57 te Rucphen, gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant heeft deze aanvraag op 29 oktober 2024 afgewezen, omdat volgens hen niet voldaan was aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsclausule. Elektoor heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Oost-Brabant heeft op 21 juli 2025 het beroep van Elektoor tegen deze beslissing ook ongegrond verklaard. Hierop heeft Elektoor hoger beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op 2 december 2025 de zaak behandeld. De Raad van State oordeelde dat er geen sprake was van een bijzonder geval waarin toepassing van de algemene regels zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank had terecht overwogen dat Elektoor geen omstandigheden had aangedragen die deze conclusie konden onderbouwen. De voorzieningenrechter bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202504782/1/R2 en 202504782/2/R2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
Stichting Elektoor (hierna: Elektoor), gevestigd in Rucphen,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost­Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 juli 2025 in zaak nrs. 25/1045 en 25/1377 in het geding tussen:
Elektoor
en
het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant.
Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2024 heeft het college het verzoek van Elektoor om de hardheidsclausule in artikel 3.8 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant toe te passen voor het plaatsen van een bodemwarmtepomp voor de nieuwbouw in het grondwaterbeschermingsgebied op het perceel Rijksweg-Zuid 57 te Rucphen, afgewezen.
Bij besluit van 10 april 2025 heeft het college het door Elektoor daartegen gemaakte bezwaar, met een aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 juli 2025 heeft de rechtbank het door Elektoor daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Elektoor hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft Elektoor de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Elektoor heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 december 2025, waar Elektoor, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door drs. I.A. Roelse en drs. S. Lavrijssen, zijn verschenen.
Overwegingen
Toepassing artikel 8:86 van de Awb
1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Inleiding
2.       Elektoor wil een bodemwarmtepomp plaatsen op het perceel om een nieuw gebouw te verwarmen. Het perceel ligt in een grondwaterbeschermingsgebied. Het plaatsen van een bodemwarmtepomp en het verrichten van activiteiten in de bodem op een diepte van 3 m of meer, is verboden in de Omgevingsverordening. Het college heeft geweigerd de hardheidsclausule in artikel 3.8 van de Omgevingsverordening toe te passen omdat volgens het college niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van een bijzonder geval waarin toepassing van de algemene regels leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
De uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank is met het college van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval waarin toepassing van de algemene regels leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.8 van de Omgevingsverordening. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat Elektoor geen omstandigheden heeft genoemd die tot de conclusie leiden dat het nadeel dat zij lijdt zo groot is ten opzichte van het belang van de bescherming en veiligheid van het grondwater, dat sprake zou zijn van een onbillijkheid van overwegende aard. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Elektoor bekend was met het verbod van een bodemwarmtepomp op deze locatie en dat er alternatieven zijn voor het gebruik van een bodemwarmtepomp. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college terecht is uitgegaan van de grenzen van het grondwaterbeschermingsgebied zoals deze zijn vastgesteld. Ook verder heeft Elektoor geen omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Over de verwijzing van Elektoor naar de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet (hierna: de Ow) heeft de rechtbank overwogen dat het doel van de Ow en de daaraan ten grondslag liggende kernwaarden er niet toe leiden dat een wettelijk toetsingskader dat uitgaat van een verbod zonder de mogelijkheid van ontheffing of vergunning plaats moet maken voor een vrije belangenafweging.
Het hoger beroep
4.       Elektoor betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een bijzonder geval waarin toepassing van de algemene regels leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Daartoe voert zij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in het verweerschrift heeft gesteld dat het niet gaat om de bodemwarmtepomp van Elektoor maar dat het college hoe dan ook precedentwerking wil voorkomen. De rechtbank heeft ook niet onderkend dat het college alleen heeft gekeken naar het belang van grondwaterbescherming en niet (ook) naar het nadeel dat zij lijdt. Verder stelde Elektoor dat de weigering de hardheidsclausule toe te passen onbillijk is omdat de locatie zich aan de rand van het grondwaterbeschermingsgebied bevindt en dat (de vaststelling van) de grens van dat gebied marginaal is en niet wetenschappelijk onderbouwd.
Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat er alternatieven zijn voor het gebruik van een bodemwarmtepomp. Volgens Elektoor zijn de alternatieven niet doelmatig of zijn ze niet duurzaam.
Voorts is de rechtbank voorbijgegaan aan hetgeen Elektoor heeft gesteld over de Memorie van Toelichting bij de Ow. Elektoor stelt, samengevat weergegeven, dat de Ow en de daaraan ten grondslag liggen kernwaarden door het college niet in acht worden genomen. Met de totstandkoming van de Ow is meer oog ontstaan voor een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, ruimte voor initiatieven van burgers en bedrijven, een balans tussen bescherming en benutting en een gedrags- en cultuurverandering van risicomijdend gedrag naar een afweging op basis van brede waarden. Dat blijkt uit de Memorie van Toelichting bij die wet. Het bieden van maatwerk, in dit geval door het toestaan van een bodemwarmtepomp, past volgens Elektoor in die gedachte. Ten onrechte is het college voorafgaand aan het besluit op bezwaar niet met Elektoor in overleg getreden.
4.1.    Artikel 3.8, eerste lid 1, van de Omgevingsverordening luidt:
"Artikel 3.8 Hardheidsclausule
1. Gedeputeerde Staten kunnen in een bijzonder geval de algemene regels uit dit hoofdstuk buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover, gelet op de betrokken belangen, toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en als het doel waarvoor de regel is vastgesteld hierdoor niet wordt geschaad."
Artikel 3.29, eerste lid 1, aanhef en onder d en e, luidt:
"Artikel 3.29 Aanwijzing milieubelastende activiteit grondwaterbeschermingsgebied
1. Als milieubelastende activiteit binnen Grondwaterbeschermingsgebied wordt aangewezen:
(…)
d. het aanleggen en gebruiken van bodemenergiesystemen en activiteiten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater;
e. het verrichten van activiteiten in de bodem op een diepte van 3 m of meer;
Artikel 3.30 luidt:
"Artikel 3.30 Verbod milieubelastende activiteit Grondwaterbeschermingsgebied
Het is verboden een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.29 te verrichten."
4.2.    De weigering om toepassing te geven aan de hardheidsclausule heeft blijkens het besluit op bezwaar betrekking op de door Elektoor aangevraagde warmtepompinstallatie zelf. Dat het volgens het verweerschrift van het college ook gaat om het precedent dat hiermee geschapen zou gaan worden betekent naar het oordeel van de voorzieningenechter niet dat de warmtepomp die door Elektoor is aangevraagd volgens het college geen gevolgen kan hebben voor het grondwaterbeschermingsgebied.
Het college heeft gesteld dat het veel waarde hecht aan de beschikbaarheid en veiligheid van grondwater. Dat belang weegt volgens het college in dit geval zwaarder dan de door Elektoor gestelde duurzaamheidsdoelstellingen en vermindering van CO2-uitstoot en energieverbruik. De nadelen voor Elektoor zijn daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter, anders dan gesteld, wel gewogen maar als minder zwaar beoordeeld ten opzichte van het grondwaterbelang.
Verder is het verzoek van Elektoor om aanpassing van de bij de Omgevingsverordening behorende kaart van het grondwaterbeschermingsgebied in een afzonderlijk besluit afgewezen. Het college is in het besluit op bezwaar dan ook terecht uitgegaan van de ligging van het perceel in het grondwaterbeschermingsgebied.
De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat er alternatieven zijn voor het gebruik van een bodemwarmtepomp, waarvan het college reële voorbeelden heeft genoemd. Weliswaar kennen deze alternatieven nadelen op het gebied van efficiency en duurzaamheid, maar die nadelen zijn niet onoverkomelijk, zo is ter zitting geleken. De rechtbank kon het college dan ook volgen in zijn standpunt dat vanwege deze alternatieven geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.
De rechtbank is ook niet voorbijgegaan aan de Memorie van Toelichting bij de Ow waar Elektoor op heeft gewezen. Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat de Memorie van Toelichting onverlet laat dat moet worden uitgegaan van de toepasselijkheid van de algemeen verbindende voorschriften in de Omgevingsverordening. Die voorschriften houden in dit geval een verbod in voor de aangevraagde activiteit, waarvan slechts onder strikte, geclausuleerde voorwaarden kan worden afgeweken. Aan die voorwaarden is niet voldaan. Er bestaat dan, daargelaten de betekenis die Elektoor aan de Memorie van Toelichting heeft toegekend, voor het college geen vrije afwegingsruimte om van dit wettelijk stelsel af te wijken. Overigens heeft het college ter zitting toegelicht dat de Omgevingsverordening met de inwerkingtreding van de Ow opnieuw tegen het licht is gehouden en dat er geen aanleiding is gezien om de regels over grondwaterbeschermingsgebieden te herzien.
Onder deze omstandigheden bestaat ook geen grond voor het oordeel dat het besluit op bezwaar onzorgvuldig is omdat er voorafgaand aan dat besluit geen overleg met Elektoor heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat Elektoor voorafgaand aan dat besluit wel is gehoord.
De conclusie is dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt kon stellen dat geen sprake is van een bijzonder geval waarin toepassing van de algemene regels leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Het betoog faalt.
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Boermans
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
429