AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek beperkte kennisneming medische gegevens bij bindend negatief studieadvies
Appellant ontving een bindend negatief studieadvies (BNSA) van de BSA-commissie van de Vrije Universiteit Amsterdam. Tegen dit besluit stelde appellant administratief beroep in bij het College van beroep voor de examens (CBE), dat het beroep ongegrond verklaarde. Appellant stelde vervolgens beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant overhandigde een vertrouwelijk medisch stuk en verzocht op grond van artikel 8:29 AwbPro dat alleen de Afdeling kennis zou nemen van dit stuk, omdat het gevoelige persoonsgegevens bevat en niet gedeeld mag worden met het CBE en de BSA-commissie. De Afdeling overwoog dat artikel 8:29 AwbPro alleen van toepassing is op stukken die partijen verplicht zijn over te leggen, wat hier niet het geval was.
De Afdeling concludeerde dat het stuk ter onderbouwing van het eigen betoog van appellant is en niet onder de verplichting tot overlegging valt. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Daarom wees de Afdeling het verzoek af en bepaalde dat het stuk aan appellant wordt teruggezonden.
Uitkomst: Het verzoek om beperkte kennisneming van het medische stuk wordt afgewezen en het stuk wordt aan appellant teruggezonden.
Uitspraak
202506197/2/A2.
Datum beslissing: 10 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
College van beroep voor de examens (CBE) van de Vrije Universiteit Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 20 augustus 2025 heeft de BSA-commissie namens het instellingsbestuur van de Vrije Universiteit (het instellingsbestuur) [appellant] een bindend negatief studieadvies (BNSA) gegeven.
Bij beslissing van 27 november 2025 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het CBE van 27 november 2025.
[appellant] heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 vanPro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het betreft een medische verklaring.
Overwegingen
1. [appellant] heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van het stuk kennis zal nemen. [appellant] wil met het stuk aantonen dat zijn persoonlijke omstandigheden zwaarwegend van aard zijn en dat het aannemelijk is dat dat die omstandigheden gedurende het gehele studiejaar hebben gespeeld, waardoor het causaal verband tussen die omstandigheden en het niet behalen van de BSA-norm kan worden aangenomen. Volgens [appellant] bevat het stuk gevoelige persoonsgegevens, waarvan hij niet wil dat dit met het CBE en de BSA-commissie wordt gedeeld. De BSA-commissie is, anders dan de studieadviseur, geen orgaan met een vertrouwensfunctie.
2. Uit artikel 8:29, eerste lid, van de Awb volgt dat alleen partijen die verplicht zijn stukken in te dienen een verzoek om beperkte kennisneming kunnen doen. Een verplichting bestaat bij de op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 vanPro de Awb) en in de in artikel 8:45, tweede en derde lid, van de Awb genoemde gevallen (zie nader: de uitspraak van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, onder 9). Een dergelijk verzoek kan in beginsel alleen betrekking hebben op stukken ten aanzien waarvan het bestuursorgaan om geheimhouding had kunnen verzoeken en dus op stukken die het bestuursorgaan verplicht is over te leggen (vergelijk: de uitspraak van 17 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4222, onder 5). De regeling in artikel 8:29 AwbPro strekt er daarbij toe te bewerkstelligen dat een partij, die verplicht is een stuk in te dienen of inlichtingen te verstrekken, de rechter kan vragen te bepalen dat alleen hij van het stuk kennis neemt en de andere partij niet (zie ook: de uitspraak van 22 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1621, onder 3).
3. De Afdeling heeft kennisgenomen van het door [appellant] overgelegde stuk. Het betreft geen stuk waarvoor een verplichting geldt om het over te leggen, omdat het een stuk betreft ter onderbouwing van het eigen betoog van [appellant]. Zoals hiervoor is overwogen, is artikel 8:29 AwbPro alleen van toepassing op inlichtingen of stukken die partijen verplicht zijn over te leggen. De Afdeling ziet in het verzoek van [appellant] geen zeer bijzondere omstandigheden om tot een ander oordeel te komen. Het verzoek om beperkte kennisneming komt reeds hierom niet voor inwilliging in aanmerking.
4. De Afdeling bepaalt dat de stukken waarop het verzoek op grond van artikel 8:29 vanPro de Awb ziet, aan [appellant] worden teruggezonden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.