ECLI:NL:RVS:2026:730

Raad van State

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
202503241/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 6:39 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering overname schuld op grond van Wet hersteloperatie toeslagen wegens niet-opeisbaarheid

Appellante, een gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht om overname van twee schulden onder de Wet hersteloperatie toeslagen. De minister weigerde de overname omdat de schuld niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021, een vereiste volgens artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.

De rechtbank oordeelde dat de schuld niet opeisbaar was omdat de betalingstermijn van 30 dagen op de nota van Stichting Kliniek Naaldwijk betekende dat nakoming pas vanaf 15 juni 2021 kon worden gevorderd. Appellante voerde aan dat zij niet met de algemene voorwaarden had ingestemd en dat de schuld juridisch gezien wel opeisbaar was, maar dit werd verworpen.

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat een schuld pas opeisbaar is na het verstrijken van de overeengekomen termijn voor nakoming, en dat het vereiste van opeisbaarheid tot de kern van de regeling behoort. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot overname van de schuld bevestigd.

Uitspraak

202503241/1/A2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 mei 2025 in zaak nr. 23/8573 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2023 heeft Sociale Banken Nederland namens de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd een geldschuld over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
Bij besluit van 14 november 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 januari 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Divis-Stein, is verschenen.
Overwegingen
1.       [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om overname van een schuld van € 1.985,62 bij Swier CS Gerechtsdeurwaarders en een schuld van € 901,95 bij Stichting Kliniek Naaldwijk (SKN). De minister heeft de schulden als één schuld beoordeeld en de schuld niet overgenomen. Volgens de minister is de schuld niet opeisbaar geworden voor 1 juni 2021, zodat niet is voldaan aan de vereisten uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht voor het overnemen van private schulden.
2.       De rechtbank heeft overwogen dat de minister de schuld terecht niet heeft overgenomen, omdat op de overeenkomst tussen [appellante] en SKN de algemene voorwaarden van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Tandheelkunde van toepassing zijn. Daarin staat in artikel 8 dat Pro de patiënt de rekening binnen 30 dagen na de notadatum moet voldoen. De notadatum was 15 mei 2021, wat betekent dat SKN niet eerder dan 15 juni 2021 nakoming kon vorderen. De schuld was daarom naar het oordeel van de rechtbank niet opeisbaar voor 1 juni 2021.
3.       [appellante] betoogt dat zij nooit heeft ingestemd met de algemene voorwaarden, zodat die niet van toepassing zijn. Volgens haar is een verbintenis in beginsel opeisbaar zodra de tegenprestatie is geleverd. Een overeengekomen betalingstermijn belet slechts de invordering vóór die termijn, maar niet de juridische kwalificatie als opeisbare verbintenis zoals volgt uit artikel 6:39 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank verwart volgens [appellante] de feitelijke mogelijkheid tot afdwingen van de betaling met de juridische status van opeisbaarheid. Ook betoogt zij dat de strikte toepassing van de formele betalingstermijn in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en de doelstellingen van de Wht.
3.1.    In wat [appellante] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen grond om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101) is een schuld opeisbaar wanneer de schuldeiser nakoming kan vorderen. Uit artikel 6:39 van Pro het Burgerlijk Wetboek volgt dat als een termijn voor nakoming is bepaald de schuld pas opeisbaar is na het verstrijken van die termijn. Op de nota van SKN van 15 mei 2021 staat een betalingstermijn van 30 dagen. Er is dus een termijn voor nakoming bepaald van 30 dagen, wat betekent dat de schuld pas op 15 juni 2021 opeisbaar is geworden. Daarmee wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor overname ervan op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. De stelling van [appellante] dat zij niet uitdrukkelijk heeft ingestemd met de algemene voorwaarden, maakt dit niet anders.
3.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraken van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045, volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht dat, hoewel gekozen is voor het bieden van een nieuwe start, er schulden zijn uitgesloten van herstel. De wetgever wilde nadrukkelijk alleen opeisbare schulden of achterstanden onder de regeling brengen. Het vereiste van de opeisbare schuld behoort daarom tot de kern van de regeling. De uiterlijke datum van opeisbaarheid heeft de wetgever op 1 juni 2021 bepaald, omdat de regeling toen werd bekendgemaakt en de wetgever wilde voorkomen dat op de regeling kon worden geanticipeerd. De mogelijke gevolgen voor gedupeerde ouders van het vereiste van opeisbaarheid zijn in de afweging van de wetgever welbewust onder ogen gezien en zijn daarmee verdisconteerd.
3.3.    Het betoog slaagt niet.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
284-1081