202402451/1/V1.
Datum uitspraak: 8 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 maart 2024 in zaak nr. NL23.38476 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid die aanvraag ingewilligd.
Bij uitspraak van 4 maart 2024 heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het uitblijven van een besluit op die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat in Oss, verzet gedaan.
De rechtbank heeft het verzetschrift naar de Afdeling doorgestuurd om als hoger beroep in behandeling te nemen.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat de minister bij het besluit van 1 februari 2024 alsnog een besluit op de aanvraag heeft genomen. De rechtbank heeft overwogen dat de minister met dit besluit geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van appellant, omdat zij haar asielaanvraag heeft ingewilligd. Appellant heeft volgens de rechtbank niet gesteld dat de minister met dit besluit niet aan haar beroep is tegemoetgekomen. Het beroep heeft daarom geen betrekking op het alsnog genomen besluit, aldus de rechtbank.
2. Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het beroep geen betrekking heeft op het besluit van 1 februari 2024. Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte bij haar of haar gemachtigde geen navraag heeft gedaan of de minister met dit besluit geheel aan het beroep tegemoet is gekomen. Dit is volgens appellant niet het geval, omdat de bij dit besluit aan haar verleende verblijfsvergunning een onjuiste ingangsdatum heeft. Appellant heeft daarom verzet gedaan tegen de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft het verzetschrift ten onrechte naar de Afdeling doorgestuurd, aldus appellant.
3. Uit het dossier blijkt dat de rechtbank op 27 december 2023 schriftelijk aan appellant en de minister heeft meegedeeld dat zij van oordeel is over voldoende informatie te beschikken om zonder een zitting uitspraak te kunnen doen. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken aan haar mee te delen dat zij mondeling op een zitting gehoord willen worden. Wanneer de rechtbank binnen die termijn geen reactie van partijen ontvangt, dan sluit zij het onderzoek en doet zij binnen zes weken uitspraak. Appellant en de minister hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Verder blijkt uit het dossier dat de rechtbank appellant op 2 februari 2024 schriftelijk in de gelegenheid heeft gesteld om binnen twee weken de rechtbank te laten weten of zij het al dan niet eens is met het besluit van 1 februari 2024. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Gelet hierop heeft rechtbank terecht met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb overwogen dat het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet mede op dit besluit betrekking heeft. De rechtbank heeft terecht met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Awb zonder zitting uitspraak gedaan op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb staat geen verzet open. De rechtbank heeft het verzetschrift van appellant daarom terecht naar de Afdeling doorgestuurd om als hoger beroep in behandeling te nemen.
4. Omdat de rechtbank terecht geen oordeel heeft gegeven over het besluit van 1 februari 2024 komt ook de Afdeling niet toe aan een beoordeling van het betoog dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning die de minister bij dit besluit aan appellant heeft verleend niet juist is.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Wilde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026
598