AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging subsidieafwijzing wegens schijn van belangenverstrengeling in adviescommissie
AKOB, een dansgezelschap uit Den Haag, diende een subsidieaanvraag in bij het Fonds Podiumkunsten voor de periode 2025-2028. Het Fonds wees de aanvraag af op basis van een negatief advies van een adviescommissie, waarin twee leden betrokken waren met mogelijke belangenverstrengeling. De rechtbank verklaarde het beroep van AKOB ongegrond, maar AKOB ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het Fonds onvoldoende heeft gewogen dat twee leden van de adviescommissie, [persoon A] en [persoon B], de schijn van belangenverstrengeling wekten. [Persoon A] had een langdurige en intensieve samenwerking met een concurrerend dansgezelschap, terwijl [persoon B] als recensent herhaaldelijk negatief had geschreven over de artistieke leider van AKOB, wat de onpartijdigheid in twijfel trekt.
Hoewel het Fonds een protocol hanteert om belangenverstrengeling te voorkomen, was dit in deze situatie onvoldoende. De Afdeling vernietigt daarom het besluit van het Fonds en het vonnis van de rechtbank en beveelt dat het Fonds binnen vier weken een nieuw besluit neemt op basis van een nieuw advies van een volledig nieuwe adviescommissie. Tevens worden de proceskosten aan het Fonds opgelegd.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de subsidieaanvraag van AKOB wordt vernietigd wegens schijn van belangenverstrengeling bij twee leden van de adviescommissie; het Fonds moet een nieuw besluit nemen.
Uitspraak
202505577/1/A2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Another Kind Of Blue (AKOB), gevestigd in Den Haag,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 september 2025 in zaak nr. 25/2185 in het geding tussen:
AKOB
en
de raad van bestuur van de Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten (het Fonds).
Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2024 heeft het Fonds de aanvraag van AKOB in het kader van de Deelregeling meerjarige productsubsidies Fonds Podiumkunsten 2025-2028 afgewezen.
Bij besluit van 4 februari 2025 heeft het Fonds het door AKOB daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 september 2025 heeft de rechtbank het door AKOB daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft AKOB hoger beroep ingesteld.
Het Fonds heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
AKOB heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2026, waar AKOB, vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat in Amsterdam, [choreograaf] en [gemachtigde], en het Fonds, vertegenwoordigd door mr. A. Braxhoven en [gemachtigde], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. AKOB is een dansgezelschap uit Den Haag en staat onder artistieke leiding van choreograaf [choreograaf]. Zij heeft een aanvraag om subsidie ingediend op grond van de Deelregeling meerjarige productsubsidies Fonds Podiumkunsten 2025-2028 (de Deelregeling) voor een bedrag van € 370.000,00 per jaar.
2. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft het Fonds het advies van de Adviescommissie meerjarige productsubsidie 2025-2028 categorie II (de adviescommissie) ten grondslag gelegd. De adviescommissie bestaat uit negen leden en een voorzitter. Twee van de leden van de adviescommissie zijn gespecialiseerd in dans, namelijk [persoon A] en [persoon B]. De adviescommissie heeft de artistieke kwaliteit als zwak beoordeeld. De publieksfunctie en de betekenis voor de Nederlandse podiumkunstenpraktijk zijn met een voldoende beoordeeld en de bijdrage aan de geografische spreiding als ruim voldoende. Met deze beoordeling komt de aanvraag van AKOB niet in aanmerking voor subsidie.
3. Het Fonds heeft de afwijzing in bezwaar gehandhaafd en voor de motivering verwezen naar het advies van de bezwaaradviescommissie Meerjarige Regeling 2025-2028 Fonds Podiumkunsten. Niet is gebleken dat het advies van de adviescommissie niet zorgvuldig tot stand is gekomen of niet voldoende draagkrachtig en zorgvuldig is gemotiveerd. Dat één van de leden van de adviescommissie, [persoon B], eerder negatieve recensies heeft geschreven over voorstellingen van AKOB, betekent niet dat zij niet in staat is om op objectieve en onpartijdige wijze te adviseren en de schijn van vooringenomenheid is gewekt.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat het Fonds het advies van de adviescommissie aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Niet is gebleken van een persoonlijk belang van [persoon B], als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beoordeling van een subsidieaanvraag door een adviescommissie is wezenlijk anders dan het recenseren voor een krant. De adviescommissie is samengesteld uit negen leden en een voorzitter. De leden hebben elk hun eigen expertise en vertegenwoordigen een breed palet aan kennis. Daardoor kan een gedegen artistieke beoordeling worden gemaakt. De argumenten in het advies worden gedragen door de complete adviescommissie. In de adviescommissie zat naast [persoon B] nog een lid met een expertise op het gebied van dans. De adviescommissie is bovendien gebonden aan het beoordelingskader van de Deelregeling en aan een protocol. Dit protocol, waarin is opgenomen dat de adviseurs geen persoonlijk belang hebben bij aanvragen en hun werk zonder vooringenomenheid kunnen uitvoeren, moet voorafgaand aan de advisering door alle leden worden ondertekend. Daarnaast moeten de adviseurs hun nevenfuncties melden. Ook is tijdens de adviesvergadering aandacht besteed aan mogelijke vooringenomenheid. Verder is van belang dat het recenseren van kunstuitingen om een individuele beoordeling van een specifiek optreden gaat, waarbij de recensent niet is gebonden aan een beoordelingskader of protocol. Dat [persoon B] een aantal keer een negatieve recensie heeft geschreven over een specifieke uitvoering van [choreograaf], betekent niet dat zij niet in staat zou zijn om op objectieve of onpartijdige wijze over de aanvraag van AKOB te adviseren. De recensies van [persoon B] zijn ook niet alleen maar negatief. Daarbij komt dat de recensies op voorstellingen uit het verleden zien, terwijl het bij de beoordeling van de aanvraag juist om toekomstplannen gaat. Verder heeft AKOB naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de adviescommissie naar voren gebracht.
Hoger beroep
5. AKOB betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Fonds de afwijzing van de aanvraag mocht baseren op het advies van de adviescommissie. [persoon B], één van de negen leden van de adviescommissie, heeft als recensent jarenlang stelselmatig negatief geschreven over het werk van [choreograaf] en zijn persoon. Zij heeft in een recensie onder meer de kwalificatie ‘beperkt choreografisch talent’ gebruikt. Deze diskwalificatie van [choreograaf]s kwaliteit en reputatie overstijgt de beoordeling van een individuele voorsteling. Doordat [persoon B] haar negatieve oordeel over de artistieke kwaliteit van AKOB en [choreograaf] als recensent al meermaals zo duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht, heeft zij op zijn minst de schijn gewekt dat zij niet zonder vooringenomenheid over de subsidieaanvraag kon adviseren. Dat zij het protocol heeft ondertekend, doet hieraan niet af. Niet juist is de stelling van de rechtbank dat de recensies niet alleen maar negatief zijn. Bovendien is de achterliggende periode conform de Deelregeling als referentieperiode wel degelijk betrokken bij de advisering door de adviescommissie. De advisering is dus, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet alleen maar gebaseerd op toekomstplannen. In het advies staat bijvoorbeeld dat AKOB voortgaat op de ingeslagen artistieke koers. Die koers is in de recensies van [persoon B] steeds negatief beoordeeld. Ook de positie van het andere lid van de adviescommissie met de expertise dans, [persoon A], is onhoudbaar vanwege gewekte schijn van belangenverstrengeling. Zij heeft tot kort voor de aanvraag gewerkt voor een dansgezelschap dat ook een subsidieaanvraag in dezelfde subsidieronde heeft ingediend, [naam dansgezelschap]. Daarom had ook zij geen lid van de adviescommissie mogen zijn.
5.1. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 vanPro de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 vanPro de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de betrokkene over het advies heeft aangevoerd.
5.2. Op grond van artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult een bestuursorgaan, in dit geval het Fonds, zijn taak zonder vooringenomenheid. Op grond van het tweede lid van dit artikel waakt het ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang hebben bij een besluit, de besluitvorming beïnvloeden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2439, onder 7.2) vloeit uit het tweede lid ook voort dat het bestuursorgaan de schijn van belangenverstrengeling moet vermijden. Hierbij heeft de Afdeling overwogen dat het voor het wegnemen van de schijn van belangenverstrengeling bij leden van de adviescommissie onvoldoende is dat zij zich verschonen bij de advisering over concurrerende aanvragen binnen dezelfde tender en/of dezelfde ronde waarbij zijzelf direct betrokken zijn.
5.3. Het Fonds heeft toegelicht dat het voor de adviesprocedure een protocol hanteert. Alle leden van de adviescommissie moeten voorafgaand aan de advisering dit protocol ondertekenen. Hiermee verklaren zij dat zij geen (in)direct persoonlijk belang hebben bij aanvragen die behandeld worden en dat zij hun werkzaamheden zonder vooringenomenheid kunnen uitvoeren. Ook moeten de adviseurs hun functies en nevenfuncties melden bij het Fonds. Ten slotte is tijdens de vergadering aandacht besteed aan mogelijke vooringenomenheid. Bij al deze toetsen is niet gebleken van een persoonlijk belang van één van de adviseurs, aldus het Fonds.
5.4. De Afdeling is anders dan de rechtbank van oordeel dat in dit geval ten aanzien van twee adviseurs die deel uitmaakten van de adviescommissie de schijn van belangenverstrengeling bestaat, ondanks dat het Fonds vooraf verschillende procedurele waarborgen in de adviesprocedure heeft getroffen om dit te voorkomen. Deze waarborgen zijn in dit geval onvoldoende gebleken.
5.4.1. Over [persoon A] heeft AKOB terecht aangevoerd dat de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. Het systeem van peer review is in het licht van de beoordeling van de schijn van belangenverstrengeling een kwetsbaar systeem. In een dergelijk systeem betekent een eerdere samenwerking van een adviseur met een concurrent die subsidie aanvraagt niet per definitie dat de schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt. Wel is onvoldoende dat alleen wordt nagegaan of de adviseur geen samenwerking had met één van de aanvragers op het moment dat de aanvraagperiode aanving en of de adviseur voor de periode waarvoor de subsidie verstrekt is ook geen nieuwe samenwerking is aangegaan. Het Fonds had ook de duur en aard van de eerdere samenwerking moeten betrekken bij de beoordeling of de schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt. Het Fonds heeft niet weersproken dat [persoon A] een periode van dertien jaar heeft samengewerkt met [dansgezelschap] en dat [dansgezelschap] een aanvrager is in dezelfde Deelregeling als AKOB. De samenwerking tussen [persoon A] en [dansgezelschap] is pas kort voor aanvang van de aanvraagperiode geëindigd. Hoewel deze samenwerking niet exclusief was en [persoon A] in deze periode ook met andere gezelschappen heeft gedanst, was de aard van de samenwerking tussen [persoon A] en [dansgezelschap] niet die van een incidentele samenwerking, maar van een intensieve samenwerking. [persoon A] had niet alleen een uitvoerende rol als danser, maar was ook als co-creator betrokken bij producties van [dansgezelschap]. Verder gaf [persoon A] bij de [stichting] in Amsterdam workshops over het werk van [dansgezelschap] en ging zij voor een eigen project een artistieke samenwerking aan met [dansgezelschap]. Daarnaast heeft AKOB erop gewezen dat [persoon A] in een interview in Dans Magazine uit 2019 wordt beschreven als één van de muzen van [dansgezelschap]. Gelet op al deze omstandigheden, heeft AKOB er terecht op gewezen dat er een dusdanige binding is tussen [persoon A] en de met AKOB concurrerende aanvrager, dat door haar betrokkenheid bij de advisering de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. [persoon A] had daarom geen onderdeel mogen uitmaken van de adviescommissie in categorie II omdat [dansgezelschap] ook in deze categorie een aanvraag heeft ingediend.
5.4.2. Ook in het geval van [persoon B] heeft AKOB terecht aangevoerd dat de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. De adviescommissie heeft in haar advies over de artistieke kwaliteit onder meer vermeld dat zij op basis van eerder werk kanttekeningen zet bij de muziek, die zij regelmatig weinig gelaagd en eenvoudig van aard vindt. De plannen voor de periode 2025-2028 zijn grotendeels gebaseerd op een voortzetting van de reeds ingeslagen koers, aldus de adviescommissie. In het werk van AKOB wordt qua choreografie gebruik gemaakt van een tamelijk geijkt idioom, zonder dat de grenzen van deze danstaal worden opgezocht. Deze kanttekeningen uit het advies zijn ook terug te lezen in de recensies van [persoon B] in de NRC, waarop AKOB heeft gewezen. In haar recensie van 26 oktober 2017 heeft [persoon B] geschreven dat "de vier choreografieën geen van allen bijzonder interessant" zijn. In haar recensie van 9 maart 2020 heeft [persoon B] geschreven dat "[choreograaf] bewegingstaal […] niet bijzonder" is. Verder schreef zij in deze recensie: "Maar een choreografische signatuur zou zijn werk écht interessant maken." De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat er opvallende overlap is tussen de kanttekeningen die in het advies van de adviescommissie zijn gezet bij de choreografie van [choreograaf] en AKOB en de recensies van [persoon B]. Daarnaast wordt in het advies actief verwezen naar eerdere projecten van AKOB, ook naar projecten waarover [persoon B] recensies heeft geschreven. Daarbij komt dat [persoon B] in haar recensie van 22 september 2015 heeft geschreven dat [choreograaf] een beperkt choreografisch talent heeft. De recensies zien daarmee niet alleen op eerdere uitvoeringen van AKOB maar ook op de persoon van de artistiek leider van AKOB. Gelet op al deze omstandigheden heeft AKOB terecht aangevoerd dat de indruk kan ontstaan dat [persoon B] niet zonder vooringenomenheid over de subsidieaanvraag van AKOB kon adviseren.
5.5. Het betoog slaagt.
Conclusie
6. Het advies van de adviescommissie is niet op voldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Dit betekent dat het Fonds dit advies niet aan de afwijzing van de aanvraag van AKOB ten grondslag mocht leggen. Wat AKOB heeft aangevoerd over het oordeel van de rechtbank over de inhoud van het advies hoeft daarom niet besproken te worden.
7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep tegen het besluit van 4 februari 2025 alsnog gegrond. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 2:4 enProartikel 3:9 vanPro de Awb in aanmerking voor vernietiging. Het Fonds moet een nieuw besluit nemen. Dit nieuwe besluit moet berusten op een nieuw advies van een volledig nieuwe adviescommissie en worden genomen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Op de zitting van de Afdeling is besproken dat het Fonds in verband met een ander geschil in categorie II al een geheel nieuwe adviescommissie heeft samengesteld. De Afdeling zal het Fonds daarom een termijn stellen van vier weken voor het nemen van een nieuw besluit. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
8. Het Fonds moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 september 2025 in zaak nr. 25/2185;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de raad van bestuur van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten van 4 februari 2025, kenmerk 178499858;
V. draagt de raad van bestuur van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. veroordeelt de raad van bestuur van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten tot vergoeding van de bij Stichting Another Kind Of Blue in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de raad van bestuur van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten aan Stichting Another Kind Of Blue het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 964,00 voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.