ECLI:NL:RVS:2026:748

Raad van State

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
202505772/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • G.T.J.M. Jurgens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak bestuursrechtelijke zaak Technische Universiteit Delft

Bij uitspraak van 22 januari 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het beroep van verzoeker tegen het besluit van het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft ongegrond verklaard. Verzoeker heeft vervolgens verzocht om herziening van deze uitspraak op grond van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Afdeling benadrukt dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om het geschil opnieuw aan de rechter voor te leggen of om argumenten die eerder zijn of hadden kunnen worden ingebracht alsnog te presenteren. Het verzoek tot herziening moet gebaseerd zijn op feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, die niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn bij de indiener, en die bij eerdere bekendheid tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.

Verzoeker heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die aan deze criteria voldoen. Zijn stelling dat er stukken ontbreken in het dossier is onvoldoende, temeer daar hij deze stukken niet heeft overgelegd of toegelicht waarom deze tot een andere uitspraak zouden leiden.

Daarom wijst de Afdeling het verzoek tot herziening af en bepaalt dat de proceskosten niet worden vergoed.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

202505772/1/A2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:146.
Procesverloop
Bij uitspraak van 22 januari 2025, in zaak nr. 202402624/1/A2, ECLI:NL:RVS:2025:146, heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft ongegrond verklaard.
[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 3 februari 2026, waar [verzoeker] is verschenen.
Overwegingen
1.       Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.       De Afdeling stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet kan worden gebruikt om het geschil, waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.
3.       Naar het oordeel van de Afdeling heeft [verzoeker] geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De enkele stelling van [verzoeker] dat er volgens hem stukken in het dossier ontbreken, is onvoldoende grond om de uitspraak te herzien. [verzoeker] heeft nagelaten deze volgens hem relevante stukken over te leggen en toe te lichten waarom deze stukken tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.       Het verzoek om herziening wordt afgewezen. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
1064