AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot herziening bestuursrechtelijke uitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 11 februari 2026 uitspraak gedaan over het verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak van 22 januari 2025, waarin de Afdeling zich onbevoegd had verklaard om van het beroep van verzoeker kennis te nemen.
Verzoeker had verzocht om herziening op grond van artikel 8:119 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling benadrukt dat herziening niet bedoeld is om het geschil opnieuw aan de rechter voor te leggen of om argumenten die reeds in eerdere procedures zijn aangevoerd opnieuw te presenteren.
De Afdeling oordeelt dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die redelijkerwijs niet bekend konden zijn en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. De aangevoerde feiten en omstandigheden waren reeds bekend en betrokken in de eerdere uitspraak.
Daarom wordt het verzoek om herziening afgewezen en worden de proceskosten niet vergoed. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van G.T.J.M. Jurgens.
Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitspraak
202505767/1/A2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:147.
Procesverloop
Bij uitspraak van 22 januari 2025, in zaak nr. 202405023/1/A2, ECLI:NL:RVS:2025:147, heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om van het beroep van [verzoeker] kennis te nemen.
[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 3 februari 2026, waar [verzoeker] is verschenen.
Overwegingen
1. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. De Afdeling stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet kan worden gebruikt om het geschil, waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.
3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [verzoeker] geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De Afdeling merkt op dat wat [verzoeker] in deze procedure aanvoert hij ook al heeft aangevoerd in de vorige procedure. Het gaat hier met andere woorden niet om feiten of omstandigheden die bij [verzoeker] vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Deze feiten en omstandigheden heeft de Afdeling betrokken in haar uitspraak van 22 januari 2025. Wat [verzoeker] heeft aangevoerd komt neer op een heropening van het debat, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van 22 januari 2025. Zoals onder 2 overwogen, kan dat niet leiden tot herziening van de uitspraak.
4. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek om herziening af.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.