ECLI:NL:RVS:2026:754

Raad van State

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
202407240/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen opleggen eigen bijdrage bij wijziging toevoeging

Appellant heeft op 9 mei 2023 een verzoek ingediend tot wijziging van een eerder verleende toevoeging om van gemachtigde te wisselen. De raad heeft dit verzoek toegewezen, maar een eigen bijdrage van €218 opgelegd omdat geen dwingende reden voor de overname door een andere advocaat bestond.

Appellant betwistte niet dat de raad op grond van de regels in beginsel een eigen bijdrage mag opleggen, maar stelde dat in zijn geval geen eigen bijdrage mocht worden opgelegd omdat de raad in andere zaken hiervan afzag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant dit niet onderbouwde.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de raad zelf van mening is dat asielzoekers geen eigen bijdrage hoeven te betalen bij vervanging van een asieladvocaat, en dat in zijn zaak de eigen bijdrage niet in rekening is gebracht. De raad stelde dat appellant geen procesbelang meer heeft omdat de eigen bijdrage niet van zijn vergoeding is afgetrokken en hij deze dus niet hoeft te betalen.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant het doel van zijn hoger beroep al heeft bereikt en daarom geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

202407240/1/A2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 18 oktober 2024 in zaak nr. 23/2927 in het geding tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 19 mei 2023 heeft de raad een verzoek van [appellant] om wijziging van een eerder verleende toevoeging toegewezen en hem een eigen bijdrage van € 218,00 opgelegd.
Bij besluit van 2 oktober 2023 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.       Op 9 mei 2023 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een wijziging van een eerder aan hem verleende toevoeging. Hij wil van gemachtigde wisselen. De raad heeft dit verzoek toegewezen. Daarbij heeft de raad [appellant] een eigen bijdrage van € 218,00 opgelegd, omdat er geen dwingende reden voor de overname door een andere advocaat is.
2.       De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] niet heeft betwist dat de raad op grond van de geldende regels in beginsel een eigen bijdrage van € 218,00 mag opleggen. Volgens [appellant] mag de raad in dit geval echter geen eigen bijdrage opleggen, omdat de raad in andere zaken in afwijking van die regels geen eigen bijdrage heeft opgelegd. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld ECLI-nummers van zaken waarin de raad in gelijke gevallen geen eigen bijdrage heeft opgelegd. De rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard.
3.       [appellant] is het hiermee niet eens. Hij voert aan dat is gebleken dat ook de raad van opvatting is dat een asielzoeker geen eigen bijdrage hoeft te voldoen als deze een in zijn asielzaak toegewezen asieladvocaat wil vervangen door een gemachtigde van zijn voorkeur. Volgens [appellant] blijkt dit uit het in zijn geval door de raad genomen vergoedingsbesluit waarbij de eigen bijdrage niet bij [appellant] in rekening is gebracht.
4.       De raad heeft in de schriftelijke uiteenzetting de vraag opgeworpen of [appellant] nog wel procesbelang heeft bij een uitspraak op zijn hoger beroep, omdat als gevolg van de vaststelling van de vergoeding voor de door de gemachtigde van [appellant] verrichte werkzaamheden zijn gemachtigde de eigen bijdrage niet bij hem in rekening mag brengen.
4.1.    Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Alleen de eventueel principiële betekenis van een uitspraak is geen reden om toch inhoudelijk uitspraak te doen.
4.2.    [appellant] wil met zijn hoger beroep bereiken dat hij geen eigen bijdrage hoeft te betalen. In hoger beroep is gebleken dat de raad bij de vaststelling van de vergoeding de eigen bijdrage niet in mindering heeft gebracht op de vergoeding. De raad heeft verklaard dat hij deze vergissing niet zal corrigeren in het nadeel van [appellant]. Hieruit volgt dat [appellant] geen eigen bijdrage meer hoeft te betalen. Dit betekent dat [appellant] het doel van zijn hoger beroep al heeft bereikt en hij daarom geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep.
5.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
6.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jansen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
609