Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) verklaarde het rijbewijs van appellant ongeldig na een rijvaardigheidsonderzoek waarin hij voor vijftien onderdelen onvoldoende punten behaalde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het CBR niet had voldaan aan zijn vergewisplicht omdat de toelichting van de rijvaardigheidsadviseur niet tijdig aan appellant was verstrekt, waardoor appellant zich niet adequaat kon verdedigen. Dit maakte het besluit op bezwaar onzorgvuldig en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Hoewel de Afdeling het besluit vernietigde, liet zij de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand omdat appellant in beroep en hoger beroep alsnog kon reageren op de toelichting. Het CBR werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: Het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt vernietigd wegens schending van de vergewisplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.
Uitspraak
202503522/1/A2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2025 in zaak nr. 23/4809 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 6 juni 2023 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard per 13 juni 2023.
Bij besluit van 7 juli 2023 heeft het CBR het bezwaar van [appellant] daartegen ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.W.M. de Leest, advocaat in Tilburg, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, zijn verschenen.
Overwegingen
Besluitvorming
1. [appellant] is op 8 oktober 2022 aangehouden door de politie wegens slingerend rijgedrag. De politie heeft hiervan mededeling gedaan aan het CBR. Het CBR heeft [appellant] een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd, waarvoor hij een rijtest heeft afgelegd. De rijvaardigheidsadviseur heeft in zijn verslag daarvan opgenomen dat [appellant] voor vijftien onderdelen onvoldoende punten heeft behaald.
2. Bij besluit van 6 juni 2023, aangevuld bij besluit van 7 juli 2023, heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] onder verwijzing naar het verslag van het rijvaardigheidsonderzoek ongeldig verklaard. Er is sprake van voldoende rijvaardigheid als er voor elk onderdeel voldoende punten zijn behaald. Volgens de rijvaardigheidsadviseur heeft [appellant] voor vijftien onderdelen onvoldoende punten behaald. Het CBR heeft daarom geconcludeerd dat [appellant] onvoldoende rijvaardig is.
Uitspraak van de rechtbank
3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat als één onderdeel niet behaald is, het CBR het rijbewijs ongeldig moet verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is het verslag van de rijvaardigheidsadviseur weliswaar summier, maar uit de toelichting van het verslag van de rijvaardigheidsadviseur is voldoende op te maken waarom [appellant] bepaalde onderdelen niet heeft gehaald. Zo blijkt uit de toelichting waarom [appellant] onvoldoende punten heeft behaald voor de onderdelen snelheid en plaats op de weg. Het standpunt van [appellant] dat hij zich niet kon verdedigen tegen het besluit, omdat hij niet weet waarom hij onvoldoende punten heeft gescoord, volgt de rechtbank daarom niet. De rechtbank heeft het CBR meegegeven om in toekomstige verslagen een duidelijkere motivering op te nemen om verwarring te voorkomen. Verder ziet het andere verslag, dat ter vergelijking is ingediend door [appellant], op een onderzoek naar de medische geschiktheid. Dat is alleen al daarom niet vergelijkbaar met het verslag van het onderzoek naar zijn rijvaardigheid.
Hoger beroep en de beoordeling daarvan
4. [appellant] voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Het verslag dat ten grondslag is gelegd aan het besluit, is onvoldoende toegelicht. De door de rechtbank aangehaalde toelichting van de rijvaardigheidsadviseur is pas in beroep verstrekt. Hierdoor kon [appellant] zich niet adequaat verdedigen tegen het besluit. Hij kan de beoordeling niet plaatsen en bestrijdt de juistheid daarvan. Verder wijst [appellant] nogmaals op het overgelegde verslag van een onderzoek naar de rijgeschiktheid van een andere bestuurder, wat een uitgebreide toelichting bevat.
4.1. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 vanPro de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat [appellant] over het advies heeft aangevoerd.
4.2. In het verslag van de rijvaardigheidsadviseur zijn de scores van [appellant] van de verschillende onderdelen van het rijvaardigheidsonderzoek opgenomen. Daaruit volgt dat hij voor vijftien onderdelen onvoldoende punten heeft behaald. De rijvaardigheidsadviseur heeft zijn verslag in een ander formulier toegelicht. Deze toelichting is niet bij het primaire besluit, noch in bezwaar aan [appellant] overgelegd. In het besluit op bezwaar is het CBR ook niet ingegaan op deze toelichting. Het CBR heeft de toelichting van de rijvaardigheidsadviseur alsnog overgelegd in beroep.
4.3. De Afdeling is daarom van oordeel dat het besluit op bezwaar onzorgvuldig is voorbereid en in strijd met de vergewisplicht is genomen. Het CBR moest de toelichting overleggen aan [appellant] zodat hij zich adequaat kon verdedigen in bezwaar. Daarbij had het CBR, als onderdeel van zijn vergewisplicht, in zijn motivering van het besluit op bezwaar moeten ingaan op de toelichting. Het CBR heeft, zonder in te gaan op de toelichting, niet inzichtelijk gemotiveerd waarom het is afgegaan op het verslag. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
4.4. Het betoog slaagt. Reeds hierom is het hoger beroep gegrond en moet de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit op bezwaar gegrond verklaren. Dat besluit moet worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en de vergewisplicht.
Afdoening
5. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand te laten. [appellant] heeft in beroep en hoger beroep alsnog kunnen reageren op de toelichting van de rijvaardigheidsadviseur. In de toelichting staat onder meer dat [appellant] veel moeite heeft met de bediening van de auto, hij de auto laat slingeren, hij abrupt met het stuur naar rechts of links gaat en in zijn snelheid vertraagt. Hiermee is voldoende uiteengezet waarom [appellant], voor de onderdelen snelheid en plaats op de weg, te weinig punten heeft behaald en dus niet heeft voldaan aan het rijvaardigheidsonderzoek. Dat het verslag van een onderzoek naar de rijgeschiktheid van een andere bestuurder uitgebreider is toegelicht, betekent nog niet dat de toelichting in het voorliggende verslag over de rijvaardigheid onvoldoende is. Daarbij is van belang dat een deelnemer voor elk onderdeel voldoende punten moet halen om te voldoen aan het rijvaardigheidsonderzoek. Met inachtneming van de in beroep ingediende toelichting blijft de uitkomst van de besluitvorming dus hetzelfde.
6. Het CBR moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 8 mei 2025 in zaaknr. 23/4809 ;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 7 juli 2023, kenmerk REL/2011724503;
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
VI. veroordeelt het CBR in de vergoeding van de proceskosten van [appellant] tot een bedrag van € 3.773,25, waarvan € 3.736,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het CBR het door [appellant] in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 473,00 (€ 184,00 + € 289,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.