202405122/1/R3.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Krimpen aan den IJssel,
appellant,
en
de raad van de gemeente Krimpen aan den IJssel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Kerkdreef" vastgesteld en op grond van artikel 6.12, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (de Wro) voor dit bestemmingsplan geen exploitatieplan vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 januari 2026, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Lamkadmi en mr. D.J. Greguss en H.W. Dijk, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 14 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid 25 woningen te realiseren in het gebied gelegen aan de Kerkdreef in Krimpen aan den IJssel, net onder de IJsseldijk en ten oosten van de Burgemeester Aalberslaan. Het plangebied grenst aan het buitenterrein van de Admiraal de Ruyterschool. Het plangebied is op dit moment onbebouwd en doet dienst als groenstrook/park.
Kopersvereniging NOM-wijk Krimpen (de Kopersvereniging) is de initiatiefnemer van de bouwplannen.
3. [appellant] woont tegenover het plangebied, aan de [locatie]. De afstand tussen het plangebied en zijn woning bedraagt ruim 60 meter. Tussen het plangebied en zijn woning zijn twee wegen en een watergang gelegen.
[appellant] kan zich niet verenigen met het plan en heeft hiertegen beroep ingesteld.
Beroep
4. [appellant] heeft op de zitting de beroepsgronden over het ontbreken van een exploitatieplan, de toepasselijke regelgeving, het aantal sociale woningen en de in het bestemmingsplan opgenomen bouw- en nokhoogtes ingetrokken. Deze gronden worden daarom in deze uitspraak niet besproken of beoordeeld.
Gemaakte afspraken niet nagekomen
5. [appellant] betoogt dat eerder gemaakte afspraken uit 2011 over aantallen woningen niet zijn nagekomen en dat de omwonenden minimaal tien jaar in de veronderstelling zijn gelaten dat die afspraken wel zouden worden nagekomen. Hierdoor hebben zij bij de destijds gevoerde procedures voor de sloop- en nieuwbouwplannen van de school geen bezwaar en/of beroep aangetekend.
5.1. De raad heeft op de zitting toegelicht dat in 2010-2011 door verplaatsing van de Admiraal de Ruyterschool naar de huidige locatie een deel van het plangebied vrijkwam voor ontwikkelingen. In het kader van een verkenning is toen een impressie gemaakt van een mogelijke ontwikkeling met tien woningen, maar met die verkenning is daarna niets meer gedaan. Vervolgens heeft de raad jaren later de Ontwikkelvisie IJsseldijk opgesteld, waar onder meer deze locatie onder viel. Deze Ontwikkelvisie is opgevolgd door een stedenbouwkundig kader dat betrekking heeft op het huidige plangebied en waarin de uitgangspunten zijn geformuleerd voor het bestemmingsplan dat nu in deze procedure voorligt, aldus de raad.
5.2. Uit deze door de raad gegeven toelichting, die door [appellant] niet is betwist, blijkt dat er door de raad (of het college) in 2010-2011 geen toezeggingen zijn gedaan of afspraken zijn gemaakt over het (maximale) aantal woningen dat in het plangebied zou worden gerealiseerd. Dit betekent dat het betoog niet slaagt.
Participatie
6. [appellant] betoogt ook dat de omwonenden van het plangebied door de raad tot 2021 niet bij de plannen zijn betrokken. Weliswaar was er een Ontwikkelvisie IJsseldijk waarvoor een participatieprocedure is gevolgd, maar daarin werd uitgegaan van het boerenerfprincipe en werd niet gesproken over de te bouwen hoeveelheid woningen. Ook overigens was de participatie zeer gebrekkig. In dit kader wijst [appellant] erop dat de bekendmakingen van besluiten en (raads)vergaderingen telkens in de vakantieperioden plaatsvonden en dat de agenda’s van de raadsvergaderingen steeds maar kort voorafgaand aan die vergaderingen bekend werden gemaakt. Verder liet de beantwoording van door hem gestelde vragen te wensen over en heeft de burgemeester niet weersproken dat de bouw van de woningen die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt een prestigeobject was van de gemeente dat sowieso door moest gaan. De contacten met de gemeente zijn door hemzelf, maar ook door andere omwonenden als vervelend en intimiderend ervaren.
6.1. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat er in het kader van het opstellen van het stedenbouwkundig kader voor het plangebied participatie heeft plaatsgevonden. Zo is er een folder gemaakt en verspreid onder de omwonenden en is er - vanwege de COVID-pandemie digitaal - een inloopavond gehouden waar iedereen welkom was. Daarnaast hebben er gesprekken plaatsgevonden met twee van de omwonenden van het plangebied naar aanleiding van specifieke opmerkingen en vragen van hun kant, aldus de raad.
[appellant] heeft in reactie hierop bevestigd dat hij de folder heeft ontvangen en heeft deelgenomen aan de inloopavond.
6.2. De Afdeling stelt verder vast dat de raad de in de wet voorgeschreven voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) heeft gevolgd voordat het bestemmingsplan is vastgesteld en dat zowel het ontwerpbestemmingsplan als het vastgestelde bestemmingsplan zes weken ter inzage heeft gelegen. Dat, naar [appellant] stelt, de bekendmakingen van besluiten en (raads)vergaderingen telkens in de vakantieperioden plaatsvonden, doet daar, wat daar ook van zij, niet aan af.
[appellant] heeft van de voorbereidingsprocedure gebruikgemaakt en een zienswijze ingediend. Voor zover hij vindt dat hij voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan inspraak had moeten hebben, geldt dat het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het betoog van [appellant] kan dan ook geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het bestemmingsplan. Datzelfde geldt voor de wijze waarop [appellant] en andere omwonenden de contacten met de burgemeester en de gemeente hebben ervaren.
6.3. Het betoog slaagt niet.
Onafhankelijke besluitvorming
7. [appellant] stelt dat er geen sprake is geweest van onafhankelijke besluitvorming, omdat het architectenbureau Jade Architecten door de gemeente is ingeschakeld om het stedenbouwkundig kader op te stellen, terwijl ditzelfde bureau al architect was van de Kopersvereniging en het huidige plan heeft ontwikkeld. Volgens [appellant] had de Kopersvereniging daardoor meer invloed op de besluitvorming door de raad.
7.1. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat het stedenbouwkundig kader niet door Jade Architecten is opgesteld, maar door Rho Adviseurs. Voorafgaand aan de vaststelling van dat kader is Jade Architecten wel gevraagd aan de hand van het conceptkader impressies te maken, zodat een beeld kon worden verkregen van wat dat kader mogelijk zou maken, aldus de raad. Gelet hierop mist het betoog feitelijke grondslag.
Visuele aspecten van het plan misleidend
8. Verder wijst [appellant] erop dat de visuele aspecten van het plan zeer misleidend zijn. De perspectiefpunten zijn telkens op te gunstige plekken geplaatst, en niet bijvoorbeeld vanuit de woningen aan de Dokter W.M. Blomsingel. Bovendien zoomen de impressies enkel in op het plangebied, maar geven zij geen beeld van de impact van de plannen op de omgeving.
8.1. De door [appellant] bedoelde visuele aspecten laten de woningen, geclusterd in vijf woonblokken, omringd door groen, zien in het plangebied. Daargelaten dat deze impressies alleen bedoeld zijn om een indruk te geven, zijn dit de impressies die afkomstig zijn van Jade Architecten. Daarmee kunnen de impressies niet aan de raad worden toegerekend. Dat betekent dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad [appellant] en andere omwonenden met deze impressies heeft misleid. Voor de raad en omwonenden was op grond van het ontwerpplan en de bijbehorende stukken duidelijk waarover een besluit genomen zou worden. Ook voor [appellant] was dit duidelijk. De impressies van Jade Architecten hebben hem niet belemmerd een zienswijze in te dienen en beroep in te stellen.
Het betoog slaagt niet.
Uitzicht en aantal woningen
9. Volgens [appellant] wordt zijn uitzicht sterk verminderd. Het parkje dat er al meer dan 13 jaar is en het uitzicht op de dijk verdwijnen door de voorgenomen woningen geheel. In plaats daarvan kijkt hij straks op woonblokken en geparkeerde auto’s. Plaatsing van een haag zal, anders dan de raad stelt, het zicht op de geparkeerde auto’s niet wegnemen.
[appellant] betoogt verder dat er minimaal één woonblok minder moet komen, zodat er meer ruimte en uitzicht overblijft, en dat de resterende woonblokken iets opgeschoven zouden moeten worden. Hij heeft in dat kader een voorstel gedaan. Het volume en het aantal woonblokken dat nu mogelijk wordt gemaakt staan niet in verhouding tot de grootte van het plangebied. [appellant] verwijst naar het woonproject KOAG/Driekamp, waar maximaal 40 kleinere seniorenwoningen staan ingetekend op een terrein dat meer dan twee maal zo groot is als het plangebied. Dat, naar de raad stelt, minder woningen tot een negatief resultaat zullen leiden omdat de grondopbrengsten dan zullen dalen bij gelijkblijvende kosten, heeft de raad niet aannemelijk gemaakt. Minder woningen betekent dat de kopers meer voor hun woning moeten betalen, maar hiervoor krijgen zij ook een groter stuk grond terug, aldus [appellant].
9.1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
9.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht van [appellant]. Weliswaar zal het uitzicht van [appellant] veranderen, maar er bestaat geen blijvend recht op uitzicht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5223, r.o. 10.1). Bovendien heeft de raad er terecht op gewezen dat het plangebied nu onbebouwd is, maar dat daar ook op grond van het vorige bestemmingsplan al gebouwen konden worden gerealiseerd met een bouwhoogte die vergelijkbaar is met de bouwhoogte uit het bestemmingsplan "Kerkdreef". Ook onder het voorgaande bestemmingsplan had [appellant] dus met bebouwing met een vergelijkbare bouwhoogte kunnen worden geconfronteerd. Gelet op de afstand tussen de woning van [appellant] en het bouwvlak in het plangebied van ruim 60 meter, is deze bouwhoogte ook niet zodanig dat dit leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn uitzicht. 9.3. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om maximaal 25 woningen in de vijf in de impressies van het stedenbouwkundig kader ingetekende woonblokken te realiseren op de daarin aangegeven locaties. Dat, naar [appellant] stelt, het plangebied te klein is om 25 woningen in vijf woonblokken in te realiseren en dat minder woningen niet tot een negatief resultaat zullen leiden, waardoor het mogelijk maken van 25 woningen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheden dat op een andere locatie in minder woningen is voorzien terwijl dat plangebied groter is en dat het financieel ook haalbaar zou zijn om minder woningen te realiseren, maken niet dat de realisatie van maximaal 25 woningen op deze locatie op grond van het bestemmingsplan "Kerkdreef" in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening.
Het voorstel van [appellant] om minder woonblokken binnen het plangebied mogelijk te maken en die anders te situeren gaat ervan uit dat binnen het plangebied minder woningen mogelijk gemaakt zouden moeten worden. Aangezien het aantal van maximaal 25 woningen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, heeft de raad niet voor dit alternatief hoeven kiezen.
9.4. Het betoog slaagt niet.
Extra appartementen
10. [appellant] betoogt verder dat rechtsachter tegen het parkeerterrein een gebouw wordt neergezet dat alleen maar een voorhuis is en dat dit in strijd is met de in het stedenbouwkundig kader neergelegde randvoorwaarde van het plan dat er achter elk voorhuis een schuurvolume gebouwd moet worden. Dit betekent dat er geen sprake is van een voorhuis, zodat de hogere goot- en bouwvolumes hiervoor niet gelden, aldus [appellant]. Verder betoogt [appellant] dat de voorgeschreven goot- en bouwhoogte in de weg staan aan de mogelijkheid twee grondgebonden woningen in de schuren om te wisselen voor vier appartementen.
10.1. Voor het antwoord op de vraag wat er in het plangebied mag worden gebouwd, is niet het stedenbouwkundig kader, maar het bestemmingsplan leidend. In de planregels is aangegeven dat in het bouwvlak maximaal 25 woningen en hoofdgebouwen mogen worden gerealiseerd, met een maximale goothoogte van 4,5 meter, tenzij anders is aangeduid, en een maximale bouwhoogte van 9 meter, tenzij anders is aangeduid. Uit de planverbeelding blijkt dat de hogere goot- en nokvolumes alleen gerealiseerd kunnen worden in een strook van het, vanaf de Kerkdreef bezien, voorste deel van het bouwvlak. In zoverre stelt [appellant] terecht dat rechtsachter in het plangebied, wederom bezien vanaf de Kerkdreef, de hogere goot- en bouwhoogtes niet gelden. Uit de planverbeelding en -regels volgt echter niet dat daar alleen een voorhuis met hogere goot- en bouwhoogtes zou mogen worden gerealiseerd. Evenmin volgt uit de planverbeelding en -regels dat achter elk voorhuis een schuurvolume gebouwd zou moeten worden. In zoverre berust het betoog van [appellant] dan ook op een onjuiste lezing van de planverbeelding en -regels.
[appellant] heeft zijn stelling dat de voorgeschreven goot- en bouwhoogtes in de weg zouden staan aan de mogelijkheid om twee grondgebonden woningen om te wisselen voor vier appartementen niet onderbouwd. Daargelaten dat, nu er nog geen vergunningaanvraag is gedaan, nergens uit blijkt dat die omwisseling plaats zal vinden, zal het college bij de beoordeling van die nog in te dienen aanvraag moeten beoordelen of de bouwplannen passen binnen de kaders die het bestemmingsplan biedt. In het geval de bouw van de vier appartementen zal worden aangevraagd, zal het college aldus moeten nagaan of dit past binnen die kaders.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
11. [appellant] stelt dat de raad de parkeerbehoefte onjuist heeft berekend. De raad is uitgegaan van cijfers uit 2018. Dit zijn cijfers van voor de coronacrisis van 2020-2021, toen er een enorme toename van het thuiswerken is ontstaan. Daardoor zijn steeds meer parkeerplekken noodzakelijk. Verder is geen rekening gehouden met het meer dan incidentele gebruik van de parkeerplekken in de avonduren van de naast het terrein gelegen school, bijvoorbeeld vanwege besprekingen en vergaderingen, en die van het Comenius College aan de overzijde van de Burgemeester Aalberslaan. Bovendien wordt geen rekening gehouden met het naast de school gelegen streekmuseum dat nu al tot verkeersproblemen op de Kerkdreef leidt. Volgens [appellant] is het werken met een gemiddelde bandbreedte kencijfer niet voldoende om de parkeerbehoefte te berekenen en had een berekening gemaakt moeten worden op basis van de werkelijke situatie, omdat er in Krimpen aan den IJssel bovengemiddeld veel auto’s zijn. Hij wijst er verder op dat de kencijfers in het stedenbouwkundig kader afwijken van de - lagere - cijfers die nu voor het bestemmingsplan worden gebruikt. Het gevolg van de onjuiste berekening van de parkeerbehoefte is dat er overlast zal ontstaan door het parkeren op de brug van de Kerkdreef naar de Dokter W.M. Blomsingel en aan die singel, waar de auto’s nu al op de stoep geparkeerd staan. Dit zal de verkeersveiligheid niet ten goede komen, aldus [appellant].
11.1. De Afdeling stelt voorop dat in artikel 5.5.1 van de planregels is bepaald dat een bouwwerk waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht niet mag worden gebouwd wanneer daarvoor niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien. Dit wordt beoordeeld in het kader van de omgevingsvergunning aan de hand van de normen die zijn neergelegd in CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’ (december 2018), waarbij, als er gedurende de planperiode een nieuwe uitgave verschijnt, met die nieuwe uitgave rekening wordt gehouden. Dit betekent dat bij de verlening van een omgevingsvergunning zal moeten worden getoetst of in de parkeerbehoefte van het te realiseren bouwplan kan worden voorzien. Mocht [appellant] vinden dat er wordt voorzien in onvoldoende parkeergelegenheid, dan kan hij rechtsmiddelen aanwenden tegen de omgevingsvergunning.
In het kader van de vaststelling van dit bestemmingsplan moet de raad beoordelen of het aannemelijk is dat bij de verlening van de omgevingsvergunning kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen. Daarbij geldt dat het bestemmingsplan geen bestaand parkeertekort hoeft op te lossen. De raad hoeft alleen rekening te houden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van de nieuwe woningen ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte in de omgeving.
11.2. In paragraaf 4.2.4 van de toelichting bij het bestemmingsplan heeft de raad toegelicht wat de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is. Die parkeerbehoefte is, uitgaande van de CROW kencijfers en uitgaande van 17 koopwoningen (tussen/hoek) en 8 koopappartementen in het dure segment, in totaal 48 parkeerplaatsen. Volgens de raad wordt een deel van deze parkeerbehoefte opgevangen met dezelfde parkeerplaatsen die nu voor de Admiraal de Ruyterschool worden ingezet. Om die reden heeft hij ook de parkeerbehoefte van die school bepaald. Deze parkeerbehoefte komt, uitgaande van ‘basisonderwijs met 16 klaslokalen’, op 12 parkeerplaatsen uit, zodat de totale parkeerbehoefte 60 parkeerplaatsen bedraagt. Vervolgens heeft de raad in verband met het dubbelgebruik van parkeerplaatsen aan de hand van aanwezigheidspercentages uit de CROW-publicatie 381 bepaald wat de parkeerbehoefte van het plangebied is per weekmoment. Daaruit komt naar voren dat het maatgevende weekmoment de werkdag avond is, met een parkeerbehoefte van 42,72 oftewel 43 parkeerplaatsen.
11.3. Blijkens deze toelichting heeft de raad voor de berekening van de parkeerbehoefte aansluiting gezocht bij de kencijfers van de CROW uit 2018. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit niet heeft mogen doen. Dat, naar [appellant] stelt, er in Krimpen aan den IJssel bovengemiddeld veel auto’s zijn, waardoor de kencijfers van de CROW niet representatief voor deze gemeente zouden zijn, heeft hij niet onderbouwd met verifieerbare stukken. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat de kencijfers van de CROW als gevolg van de COVID-pandemie niet meer zouden kloppen, omdat er toen meer werd thuisgewerkt, geldt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van die pandemie blijvend meer parkeerplekken nodig zouden zijn. Verder heeft [appellant] ook zijn stelling dat de parkeerplaatsen van de Admiraal de Ruyterschool in de avonduren meer dan incidenteel worden gebruikt niet onderbouwd. Anders dan [appellant] stelt, had hij dit wel degelijk kunnen onderbouwen, bijvoorbeeld aan de hand van een tegenrapport of door openbare informatie aan te leveren over het gebruik van de school in de avonduren door de school zelf of door derden. Voor zover [appellant] stelt dat het in de buurt gelegen streekmuseum en de andere in de buurt gelegen scholen tot verkeers- of parkeerproblemen op de Kerkdreef zouden leiden, geldt, daargelaten dat [appellant] ook dit niet heeft onderbouwd, dat, zoals hiervoor onder 11.1 is overwogen, het bestemmingsplan geen bestaand parkeertekort hoeft op te lossen.
Het betoog slaagt niet.
Doorstroming
12. Het betoog van [appellant] dat het in strijd is met zowel de Woonvisie 2020-2030 van de gemeente als de plannen van de Kopersvereniging dat de grondgebonden woningen en appartementen niet alleen openstaan voor inwoners van Krimpen aan den IJssel, maar ook voor andere woningzoekenden, heeft geen ruimtelijke relevantie. Het betoog slaagt alleen al daarom niet.
Verkoop van gemeentegrond
13. [appellant] wijst er op dat de gemeente zich er in 2013 aan heeft gecommitteerd om bij verkoop van gemeentegrond deze eerst aan te bieden aan de naaste buren. De aankondiging van het voornemen van verkoop had pas kunnen en mogen gebeuren nadat de naaste buren in de gelegenheid waren gesteld de grond te kopen maar dit hadden afgeslagen. Dat is hier niet gebeurd, aldus [appellant].
13.1. De Afdeling stelt voorop dat de verkoop van de gronden in het plangebied door de gemeente in deze procedure bij de bestuursrechter niet ter beoordeling staat. Eventuele gebreken in de wijze van verkoop kunnen niet leiden tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan regelt immers niet door welke gegadigde het moet worden uitgevoerd.
Het betoog slaagt niet.
Kap bomen plangebied
14. In het plangebied zijn al bomen gekapt voordat sprake is van bouwwerkzaamheden. Daarmee is hem de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening ontnomen, aldus [appellant].
14.1. De kap van de bomen valt buiten de reikwijdte van deze bestemmingsplanprocedure. Voor zover [appellant] tegen de kap, waar volgens de raad geen vergunning voor is verleend, op wil komen, dient hij bij het college een handhavingsverzoek in te dienen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond.
16. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ouwehand
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
752