202405712/1/R2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Heusden, gemeente Asten,
appellant,
en
de raad van de gemeente Asten,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Asten Verzamelplan 2023-1" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[partijen], de raad en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 27 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat in Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door S.J.M. Gielen en A.W.R.A. Verbruggen, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partijen], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 22 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan voorziet, voor zover relevant, op het perceel Slobeendweg ongenummerd, tussen [locatie 1] en [locatie 2] in Heusden, in de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met drie ruimte-voor-ruimte woningen op voorheen agrarische gronden.
[appellant] is de voormalig eigenaar van de gronden aan de [locatie 3], woonde voorheen in de bedrijfswoning aan [locatie 3] en exploiteerde het melkveebedrijf ter plaatse. Hij verzet zich tegen het plan, omdat hij vreest voor beperkingen in zijn bedrijfsvoering.
[partijen] wonen aan [locatie 1], zijn initiatiefnemers van de ontwikkeling die met dit plan mogelijk wordt gemaakt en zijn de huidige eigenaren van de gronden aan [locatie 3].
Belang van [appellant]
3. [appellant] betoogt dat hij een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep, ook al exploiteert hij op dit moment niet de melkveehouderij ter plaatse. Volgens [appellant] zal hij weer eigenaar worden van de gronden aan de [locatie 3] dan wel gebruiksrechten krijgen om zijn bedrijf daar weer uit te oefenen. Als hij de melkveehouderij aan [locatie 3] weer gaat exploiteren, zal hij gevolgen ondervinden van de voorziene woningen die mogelijk worden gemaakt met dit plan. Dat hij weer eigenaar gaat worden of de gronden mag gebruiken volgt volgens [appellant] uit contact tussen hemzelf en [partijen] via e-mail.
Daarbij betoogt [appellant] dat hij vergunningen op zijn naam heeft staan op grond van de Wet natuurbescherming (natuurvergunning) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze vergunningen behoren bij de melkveehouderij en tonen volgens hem aan dat hij het bedrijf weer kan en gaat uitoefenen. Over de omgevingsvergunning op grond van de Wabo betoogt hij dat daarover nog een hoger beroepsprocedure loopt bij de Afdeling en dat dit hoger beroep eerder op een zitting had moeten worden behandeld dan het beroep tegen het bestemmingsplan. Volgens [appellant] zou zijn belang bij dit bestemmingsplan volgen uit het onherroepelijk worden van die omgevingsvergunning.
Ook betoogt hij dat hij uit de bedrijfswoning is gezet omdat hij beroep heeft ingesteld tegen dit plan en daar ook een belang aan ontleent.
4. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of [appellant] nog procesbelang heeft in deze procedure. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
5. [appellant] was voorheen eigenaar van de gronden en het melkveebedrijf gevestigd op [locatie 3] in Heusden. Hij woonde in de bijbehorende bedrijfswoning op dat perceel. Via een veiling is het perceel met bedrijf en bedrijfswoning verkocht aan [partijen] en is het perceel op 21 oktober 2024 in eigendom overgedragen. Vanaf 23 april 2025 woont [appellant] niet meer in de woning.
6. Zoals overwogen onder 4 is het peilmoment voor de vraag of sprake is van procesbelang het moment van deze uitspraak. Vaststaat dat [appellant] geen eigenaar meer is van de gronden aan [locatie 3], daar niet woont en daar ook geen melkveebedrijf meer exploiteert, waardoor een eventuele vernietiging van dit bestemmingsplan geen gevolgen heeft voor hem of zijn rechtspositie. Dat [appellant] de wens en het doel heeft om in de toekomst weer eigenaar te worden van de gronden dan wel de gronden te gebruiken en dan mogelijk over de vergunningen beschikt om een melkveebedrijf weer te kunnen opstarten, maakt dit niet anders. Dit is namelijk een toekomstige, mogelijke, maar onzekere situatie die er niet toe leidt dat de vernietiging van dit bestemmingsplan op het moment van deze uitspraak gevolgen heeft voor hem heeft.
Anders dan [appellant] veronderstelt, had het voor de beoordeling van de vraag of hij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestemmingsplan niet uitgemaakt of eerst het hoger beroep tegen het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van de Wabo was behandeld. Ook al zou die procedure hebben geleid tot een (onherroepelijke) omgevingsvergunning, dan zou ook dan nog steeds relevant zijn geweest dat [appellant] geen eigenaar van de gronden is en ook geen recht heeft om de gronden te gebruiken.
Daarnaast volgt ook uit het feit dat hij uit de woning aan [locatie 3] is gezet, niet dat hij belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen de voorliggende ontwikkeling aan Slobeendweg ongenummerd. De woningbouwontwikkeling waar dit plan in voorziet en de door [appellant] benoemde omstandigheden omtrent [locatie 3] zijn juridisch niet met elkaar verbonden, zodat ook daaruit geen belang volgt bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestemmingsplan.
Conclusie
7. Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pistoor
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
932