202406431/1/R3.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Dordrecht,
appellant,
en
de raad van de gemeente Dordrecht,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "10e herziening Schil, locatie Spuiboulevard 300" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant], de raad en [partij]. hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.J. van Bruggen, drs. V.A.W.P. Verveer, ir. A.J. van den Stel en ing. W.J. van Leeuwen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 14 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan voorziet in de bouw van 350 woningen ter plaatse van het huidige stadskantoor en de directe omgeving in het centrum van Dordrecht. In het oosten van het plangebied is een woontoren met een maximum bouwhoogte van 34 m voorzien. [appellant] woont ten oosten van het plangebied en vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat en een waardedaling van zijn appartement als gevolg van deze woontoren.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Inspraak
4. [appellant] voert aan dat het gemeentebestuur het bestemmingsplan heeft opgesteld zonder betrokkenheid van omwonenden. Volgens [appellant] hadden klankbordgroepen of inspraakmomenten georganiseerd moeten worden.
4.1. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Woon- en leefklimaat
5. [appellant] voert aan dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast door de voorziene woontoren. In dit kader wijst hij erop dat hij nu vrij uitzicht, veel privacy en veel lichtinval heeft. Dit zal grotendeels verdwijnen met de komst van de woontoren. [appellant] verzoekt om de woontoren te verplaatsen naar de straat Hellingen.
5.1. De woning van [appellant] ligt op de 8e verdieping van het appartementencomplex. Dit betekent dat [appellant] vanuit zijn woning nu vrij uitzicht heeft over het naastgelegen kantoorpand dat 4 tot 5 verdiepingen hoog is. De afstand tussen de woning van [appellant] en de aanduiding "maximum bouwhoogte (m): 34" is ongeveer 40 m.
5.2. De Afdeling begrijpt dat de woonomgeving van [appellant], in het bijzonder gelet op het uitzicht, de privacy en de lichtinval, zal veranderen als gevolg van het plan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij afweging van de betrokken belangen echter een groter gewicht mogen toekennen aan het belang van woningbouw, in het bijzonder een woontoren, ter plaatse dan aan het belang van [appellant] bij het behouden van het huidige uitzicht vanuit zijn woning alsmede zijn huidige privacy en lichtinval in de woning. In dit kader is allereerst van belang dat in paragraaf 3.1.3 van de plantoelichting staat dat de 350 woningen die met het plan mogelijk worden gemaakt, voorzien in een regionale behoefte. Verder bestaat op grond van vaste rechtspraak geen recht op vrij uitzicht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1159, onder 10) en evenmin kan in een stedelijk gebied een woonsituatie vrij van enige inkijk worden gegarandeerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024; ECLI:NL:RVS:2024:2795). Bij voornoemd oordeel betrekt de Afdeling verder de afstand van 40 m tussen de woning van [appellant] en de voorziene woontoren. Voorts heeft de afname van uitzicht, privacy en lichtinval alleen betrekking heeft op de westelijke gevel, en niet op de noordelijke gevel van de woning van [appellant]. Daarnaast betrekt de Afdeling bij voornoemd oordeel dat in het document "Stedelijk woonmilieu Spuiboulevard, Stedenbouwkundig Raamwerk en Beeldkwaliteitsplan, Deelgebied 2 Spuiboulevard, van 20 december 2022, bijlage 1 bij de plantoelichting (Stedenbouwkundig Raamwerk), staat dat de maximale bouwhoogte zorgvuldig is bepaald in aansluiting op de directe omgeving. Het appartementencomplex van [appellant] dat ten oosten van de voorziene woontoren staat, heeft elf verdiepingen en is ongeveer 36 m hoog. Een woontoren met een bouwhoogte van 34 m, eveneens 11 verdiepingen, sluit dan ook aan bij de naastgelegen bebouwing. Bovendien was op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "De Schil" op de locatie van de voorziene woontoren reeds een bouwhoogte van 25 m toegestaan. Verder volgt uit het Stedenbouwkundig Raamwerk dat door de situering van de woontoren sprake is van een evenwichtige verdeling van de verscheidene hoogteaccenten in het plangebied en dat de bestaande zichtlijnen op de monumentale kerktoren behouden blijven. Dit zou niet het geval zijn indien de woontoren overeenkomstig het voorstel van [appellant] aan de Hellingen zou worden gesitueerd. In dit kader is van belang dat in het Stedenbouwkundig Raamwerk de drie zichtlijnen zijn weergegeven en dat in het standpunt van [appellant] dat er slechts vanaf één punt zicht bestaat op de monumentale kerktoren geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat de raad in zoverre niet mocht uitgaan van het Stedenbouwkundig Raamwerk, reeds omdat [appellant] zijn standpunt niet heeft onderbouwd. Bij het oordeel dat de raad een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van woningbouw dan aan de belangen van [appellant], betrekt de Afdeling ten slotte dat de woning van [appellant] in het centrum van Dordrecht ligt en dat in een dergelijk stedelijk gebied ontwikkelingen als deze niet indruisen tegen wat op zo’n locatie kan worden verwacht. Het betoog slaagt niet.
Waardedaling woning
6. [appellant] stelt verder dat als gevolg van het plan zijn woning in waarde zal dalen.
6.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Kooten-Vroegindeweij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
559