AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging van buiten behandeling stellen aanvraag Nederlands paspoort wegens verlies Nederlanderschap
Appellant, geboren in Nederland en van Turkse afkomst, verloor volgens de minister van Buitenlandse Zaken zijn Nederlanderschap op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Hierdoor werd zijn aanvraag voor een nieuw Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld. Appellant voerde aan dat hij onevenredig werd benadeeld door het verlies van zijn Nederlanderschap, mede omdat hij familie in Nederland heeft en regelmatig het land bezoekt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling oordeelt dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd waarom de coronapandemie het voor hem onmogelijk maakte tijdig een aanvraag in te dienen en dat de termijn voor het verlies van het Nederlanderschap correct is toegepast.
De Afdeling stelt vast dat de gronden van appellant in hoger beroep grotendeels een herhaling zijn van eerdere bezwaren, waarop de rechtbank gemotiveerd heeft beslist. Er is geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de aanvraag voor een Nederlands paspoort buiten behandeling te stellen wordt bevestigd.
Uitspraak
202306517/1/A3.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Turkije,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 september 2023 in zaak nr. 22/7911 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2022 heeft de minister de aanvraag van [appellant] voor een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 7 oktober 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 september 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. Raissi, advocaat in Arnhem, en de minister, vertegenwoordigd door I.S. Ijserinkhuijsen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1988 in Enschede. Zijn beide ouders hebben uitsluitend de Turkse nationaliteit en hij verkreeg daarom bij geboorte van rechtswege de Turkse nationaliteit. In 1994 verkreeg hij de Nederlandse nationaliteit, omdat zijn moeder toen is genaturaliseerd. Hij is op [datum] 1997 uitgeschreven uit de basisregistratie personen omdat hij emigreerde naar Turkije. Aan [appellant] is op [datum] 2011 voor het laatst een Nederlands paspoort verstrekt. [appellant] heeft op 30 december 2021 een aanvraag gedaan voor een nieuw Nederlands paspoort. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat [appellant] volgens de minister het Nederlanderschap op [datum] 2021 heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, (oud) van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De minister heeft bij zijn besluit op het bezwaar van [appellant] een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) betrokken, waarin staat dat [appellant] niet onevenredig is benadeeld door het verlies van het Nederlanderschap vanuit het oogpunt van het Unierecht. De minister is in het besluit op bezwaar bij zijn standpunt gebleven en de rechtbank was het met de minister eens.
Hoger beroep
2. [appellant] betoogt dat hij onevenredig is benadeeld door het verlies van het Nederlanderschap. Hij heeft in Nederland familie, is in Nederland geboren en reist regelmatig naar Nederland om zijn familie te bezoeken. [appellant] betoogt daarnaast dat een individuele beoordeling van de evenredigheid van het verlies van zijn Nederlanderschap moet plaatsvinden voordat hij het Nederlanderschap kan verliezen. De termijn van dertien jaar uit het nieuwe artikel 15 vanPro de RWN ging lopen op het moment dat de IND het advies uitbracht. Die termijn was niet verlopen op het moment van de aanvraag voor een nieuw paspoort op 30 december 2021. [appellant] betoogt dat de termijn van tien jaar uit het oude artikel 15 vanPro de RWN is gestuit omdat hij in 2015 vier maanden in Nederland heeft verbleven. Verder betoogt [appellant] dat hij onvoldoende is voorgelicht over het mogelijk verlies van zijn Nederlanderschap en de coronapandemie het lastig maakte eerder een nieuw paspoort aan te vragen.
2.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Daaraan voegt de Afdeling toe dat de coronapandemie een bijzondere periode was die verschillende moeilijkheden met zich meebracht voor burgers en instanties. Dit betekent echter niet dat [appellant] voor zijn standpunt dat hij niet eerder een nieuw paspoort kon aanvragen kan volstaan met een verwijzing naar de coronapandemie. [appellant] zal concreet moeten onderbouwen waarom de coronapandemie het voor hem onmogelijk maakte tijdig een aanvraag voor een nieuw paspoort in te dienen. Hij heeft dat niet gedaan.
Slotsom
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.