ECLI:NL:RVS:2026:770
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- C.H. Bangma
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen verzet tegen proceskostenveroordeling ombudsman
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid. Tijdens het beroep nam de ombudsman alsnog een besluit, waarna appellant het beroep introk en de rechtbank verzocht om de ombudsman in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank wees dit verzoek als kennelijk ongegrond af, waarna appellant verzet aantekende. Dit verzet werd eveneens ongegrond verklaard. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat tegen uitspraken als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb geen hoger beroep openstaat, tenzij sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen of beginselen van een goede procesorde. Appellant voerde meerdere procesrechtelijke bezwaren aan, waaronder het niet toestaan van deelname via videoverbinding en het niet betrekken van bepaalde stukken. De Afdeling stelde vast dat deze bezwaren onvoldoende waren om te concluderen dat er geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden.
De wrakingsverzoeken van appellant tegen verschillende staatsraden werden als evident misbruik van het wrakingsmiddel afgewezen. De Afdeling bepaalde dat de griffier het betaalde griffierecht aan appellant terugbetaalt. De ombudsman hoeft geen proceskosten te vergoeden. De Afdeling verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wees het beroep af.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het beroep af, met terugbetaling van het griffierecht aan appellant.