ECLI:NL:RVS:2026:773

Raad van State

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
202500499/1/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WavArt. 4.5 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boetes voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen door werkgeversketen

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 1 februari 2023 aan twee bedrijven ieder een boete van €12.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Dit volgde op controles naar aanleiding van anonieme meldingen over illegale tewerkstelling van personen met de Bosnische nationaliteit. De betrokkenen verrichtten werkzaamheden zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning en gecombineerde vergunning verblijf en arbeid.

De rechtbank Den Haag oordeelde dat beide bedrijven als werkgevers in de zin van de Wav moeten worden aangemerkt, omdat de betrokkenen werkzaamheden verrichtten ten dienste van beide ondernemingen. Appellanten voerden aan dat slechts één bedrijf als werkgever kon worden beschouwd en dat de minister onterecht boetes oplegde. Ook werd een motiveringsgebrek in de besluiten aangevoerd.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze bezwaren. Zij bevestigde dat het feitelijk laten verrichten van arbeid zonder vergunning voldoende is voor werkgeverschap onder de Wav, ongeacht formele arbeidsovereenkomsten. De uitzondering voor vervoerswerkzaamheden werd erkend, maar de overige werkzaamheden vielen wel onder de Wav. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de boetes en openbaarmaking van inspectiegegevens bleven in stand.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; boetes van €12.000 per onderneming bevestigd wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen.

Uitspraak

202500499/1/V6.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1.       [appellante sub 1]., gevestigd in [plaats],
2.       [appellante sub 2], gevestigd in [plaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 december 2024 in zaken nrs. 24/5522 en 24/5526 in het geding tussen:
1.       [appellante sub 1]
2.       [appellante sub 2]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 1 februari 2023 heeft de minister [appellante sub 1] en [appellante sub 2] ieder een boete opgelegd van € 12.000,00, wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (de Wav) en besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens.
Bij afzonderlijke besluiten van 24 april 2024 heeft de minister de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 december 2024 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 januari 2026, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [appellante sub 1], beiden vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat in Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. Y.D.R. Mandel en mr. S. Alkema-Notting, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante sub 1] houdt zich bezig met de vervaardiging van gereedschapswerktuigen. Zij bestelt regelmatig onderdelen bij [appellante sub 2]. Naar aanleiding van een anonieme melding over de illegale tewerkstelling van personen met de Bosnische nationaliteit, hebben twee arbeidsinspecteurs op 9 september 2020 een controle uitgevoerd bij [appellante sub 1]. Hierbij hebben zij geen overtredingen geconstateerd. Naar aanleiding van een tweede anonieme melding, hebben arbeidsinspecteurs op 17 december 2020 een tweede controle uitgevoerd bij [appellante sub 1].
1.1.    In de op ambtseed opgemaakte boeterapporten van 29 april 2021, voor [appellante sub 1] met kenmerk 2020483/03 en voor [appellante sub 2] met kenmerk 2020483/04, staat dat arbeidsinspecteurs hebben geconstateerd dat op 17 december 2020 drie personen met de Bosnische nationaliteit zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden hebben verricht voor [appellante sub 1] en dat de betrokkenen ook geen gecombineerde vergunning hadden voor deze werkzaamheden. Uit de boeterapporten volgt dat de arbeidsinspecteurs [appellante sub 1]in de werkgeversketen hebben aangemerkt als opdrachtgever en [appellante sub 2] als onderaannemer. Dit betekent dat appellanten allebei artikel 2, eerste lid, van de Wav drie keer hebben overtreden. De minister heeft appellanten daarom allebei een boete opgelegd van € 12.000,00 en besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat zowel [appellante sub 2] als [appellante sub 1] werkgever zijn van de betrokkenen in de zin van de Wav. Zij heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat uit de boeterapporten en de bijbehorende verklaringen volgt dat [appellante sub 2] in opdracht van [appellante sub 1]in Bosnië en Herzegovina verschillende metalen constructies fabriceert. Deze constructies worden vanuit Bosnië en Herzegovina naar [appellante sub 1]gebracht en daar afgewerkt met machines en gereedschappen van [appellante sub 1]. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de betrokkenen hun werkzaamheden zowel ten dienste van [appellante sub 2] als [appellante sub 1]hebben verricht. Daarom heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich op grond van de boeterapporten terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten de Wav hebben overtreden. Volgens de rechtbank was de minister dan ook bevoegd om de boetes aan appellanten op te leggen.
Werkgeverschap
3.       Appellanten betogen dat de betrokkenen alleen werkzaam waren voor [appellante sub 2] en dat [appellante sub 1]daarom niet is aan te merken als werkgever in de zin van artikel 2, eerste lid van de Wav. Zij voeren aan dat de betrokkenen metalen constructies afwerken in de loods van [appellante sub 1]en dat zij dat doen in opdracht en ten dienste van [appellante sub 2]. Ook voeren zij aan dat de betrokkenen in de loods van [appellante sub 1]aan een mal hebben gewerkt in opdracht van [appellante sub 2]. Volgens appellanten kan de rechtbank op basis hiervan niet oordelen dat [appellante sub 1]het mogelijk heeft gemaakt of niet verhinderd heeft dat werknemers van [appellante sub 2] hebben gewerkt voor [appellante sub 1].
3.1.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) volgt dat diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en daarmee te allen tijde verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar is op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Dat een vreemdeling in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid heeft verricht is voor het aannemen van feitelijk werkgeverschap reeds voldoende. Uit de uitspraken van de Afdeling van 11 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA9313, onder 2.2.1, en 17 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0955, onder 2.4.1, volgt verder dat de ruime uitleg van het werkgeverschap in de Wav meebrengt dat instemming met of wetenschap van de arbeid voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet is vereist en dat alleen het mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan als het laten verrichten van arbeid wordt opgevat.
3.2.    De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat niet in geschil is dat appellanten niet beschikten over een tewerkstellingsvergunning voor de betrokkenen en dat de betrokkenen niet in het bezit waren van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.
3.3.    Uit de boeterapporten en de bijbehorende verklaringen volgt dat de betrokkenen verschillende werkzaamheden hebben verricht in de loods van [appellante sub 1]. Zo hebben zij installatiewerkzaamheden aan machines verricht, gewerkt aan een mal, voorbereidingen getroffen voor een nieuwe lading die naar Bosnië vervoerd moest worden en hebben zij onderdelen en metalen constructies afgemaakt en afgewerkt. Hierbij hebben de betrokkenen machines en gereedschappen van [appellante sub 1] gebruikt. De Afdeling volgt daarom het oordeel van de rechtbank dat de betrokkenen hun werkzaamheden zowel ten dienste van [appellante sub 2] als [appellante sub 1] hebben verricht. De minister heeft appellanten dus terecht aangemerkt als werkgevers in de zin van de Wav.
3.4.    Het betoog slaagt niet.
Vervoerswerkzaamheden
4.       Appellanten betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de besluiten van 24 april 2024 een motiveringsgebrek bevatten. Zij voeren aan dat de werkzaamheden van de betrokkenen ook bestonden uit het vervoeren en afgeven van spullen in opdracht van [appellante sub 2] en dat deze werkzaamheden niet vallen onder de reikwijdte van de Wav. Volgens appellanten meet de minister met twee maten door de vervoersactiviteiten van de betrokkenen niet te beboeten, maar de overige werkzaamheden wel.
4.1.    Uit artikel 4.5, aanhef en onder a, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 volgt dat het verbod om een vreemdeling te werk te stellen zonder tewerkstellingsvergunning niet van toepassing is op een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft en geen arbeidsovereenkomst heeft met een in Nederland gevestigde werkgever en uitsluitend arbeid verricht op buiten Nederland geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer. De minister heeft tijdens de zitting bevestigd dat hij het vervoeren en afgeven van spullen door de betrokkenen met een in Bosnië en Herzegovina geregistreerd voertuig niet heeft meegewogen wegens deze uitzondering.
4.2.    Hoewel appellanten er dus terecht op wijzen dat de minister hun niet voor de vervoersactiviteiten heeft beboet, kan dit niet leiden tot het door hen daarmee beoogde doel. De hiervoor onder 4.1 genoemde uitzondering geldt immers niet voor de andere werkzaamheden die de betrokkenen hebben verricht. Voor die andere werkzaamheden kan de minister appellanten wel een boete opleggen op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wav. De Afdeling is daarom van oordeel dat de besluiten van 24 april 2024 geen motiveringsgebrek bevatten en dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de werkzaamheden die de betrokkenen hebben verricht, anders dan de vervoersactiviteiten, vallen onder de reikwijdte van de Wav.
4.3.    Het betoog slaagt niet.
Ingetrokken hogerberoepsgrond
5.       Appellanten hebben hun hogerberoepsgrond over een verschrijving in het besluit van 24 april 2024 gericht aan [appellante sub 2] op de zitting bij de Afdeling ingetrokken.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Overeem, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Overeem
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
899-1174