ECLI:NL:RVS:2026:793

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
202405856/1/R2 en 202405856/2/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetWet ruimtelijke ordeningBesluit ruimtelijke ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen wijzigingsplan Stationsstraat 25-27 Mill voor woongebouw

Het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk stelde op 16 juli 2024 het wijzigingsplan 'Mill, Stationsstraat 25-27' vast, waarmee de bestemming van een perceel van 'Detailhandel' naar 'Wonen' werd gewijzigd om de bouw van een woongebouw met 9 appartementen mogelijk te maken. Verzoekers, wonend tegenover het plangebied, maakten bezwaar tegen deze ontwikkeling en stelden beroep in.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het recht van toepassing is zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, omdat het ontwerpwijzigingsplan vóór 1 januari 2024 ter inzage was gelegd. Verzoekers voerden aan dat er geen zorgvuldige omgevingsdialoog had plaatsgevonden, dat het college niet bevoegd was het wijzigingsplan vast te stellen vanwege wijziging van het bouwvlak, en dat de verschuiving van het bouwvlak negatieve gevolgen zou hebben voor verkeersveiligheid, stedenbouwkundige aanvaardbaarheid, uitzicht en lichtinval.

De voorzieningenrechter verwierp deze gronden. Er was geen wettelijke verplichting tot inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging, de wijzigingsbevoegdheid omvatte ook de wijziging van het bouwvlak, en het college had voldoende onderbouwd dat verkeersveiligheid, stedenbouwkundige aspecten, bezonning en uitzicht aanvaardbaar waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het wijzigingsplan Stationsstraat 25-27 in Mill wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

202405856/1/R2 en 202405856/2/R2.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het beroep, in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend in Mill, gemeente Land van Cuijk,
verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2024 heeft het college het wijzigingsplan "Mill, Stationsstraat 25-27" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [verzoekers] beroep ingesteld.
[verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoekers], het college en de initiatiefnemer, [partij], hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 januari 2026, waar [verzoekers], vertegenwoordigd door mr. S.K. Reijke, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. N.D. Siebers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. W.P.N. Remie, advocaat te Tilburg, als partij gehoord.
Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overwegingen
1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 1 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
3.       Op het perceel Stationsstraat 25-27 in Mill was voorheen een winkel met bedrijfswoning gevestigd. De bedrijfsvoering is beëindigd. Het voornemen bestaat om ter plaatse een woongebouw met 9 appartementen te bouwen. Ingevolge het bestemmingsplan "Mill Centrum" rust op het perceel de bestemming "Detailhandel". In artikel 11.3.1 van de planregels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming "Detailhandel" te wijzigen naar "Wonen".  Het college heeft het wijzigingsplan vastgesteld met toepassing van artikel 11.3.1 van de planregels.
[verzoekers] wonen tegenover het plangebied. Zij zijn het niet eens met de ontwikkeling die het wijzigingsplan mogelijk maakt.
Procesbelang
4.       Het college en [partij] betogen dat [verzoekers] geen belang meer hebben bij de behandeling van het beroep, omdat zij de woning inmiddels verkocht hebben.
4.1.    [verzoekers] hebben toegelicht dat de woning weliswaar is verkocht, maar dat de eigendomsoverdracht nog niet heeft plaatsgevonden. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat [verzoekers] geen belang meer hebben bij de behandeling van het beroep.
Toetsingskader
5.       Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat in beginsel als een gegeven worden beschouwd, als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen, doet niets af aan de plicht van het college van burgemeester en wethouders om in de besluitvorming over de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is.
Gronden van het beroep
6.       [verzoekers] betogen dat er geen zorgvuldige omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden.
6.1.    Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsplan maakt geen deel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijk ordening (hierna: Bro) geregelde procedure tot vaststelling van het wijzigingsplan. Het niet bieden van inspraak in een eerdere fase, voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsplan, heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan. Verder is niet gebleken dat bij de voorbereiding van het plan niet op de juiste wijze toepassing is gegeven aan het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter in wat [verzoekers] in zoverre aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is verlopen.
Het betoog slaagt niet.
7.       [verzoekers] betogen dat het college niet bevoegd was het wijzigingsplan vast te stellen. Zij voeren aan dat de wijzigingsbevoegdheid het mogelijk maakt om de bestemming "Detailhandel" te wijzigen naar "Wonen", maar niet om het bouwvlak te wijzigen, zoals hier wel is gebeurd.
7.1.    Artikel 11.3.1 (Wijzigingsbevoegdheid naar "Wonen") van de regels van het bestemmingsplan luidt:
"Burgemeester en wethouders zijn, in geval van bedrijfsbeëindiging, bevoegd om de bestemming 'Detailhandel' te wijzigen in 'Wonen' onder de volgende voorwaarden:
a.  Het gebruik ten behoeve van woondoeleinden dient vanuit een oogpunt van een goed woonmilieu aanvaardbaar te zijn.
b.  Uit een ingesteld bodemonderzoek dient te blijken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik ten behoeve van woondoeleinden.
c.  Het gebruik ten behoeve van woondoeleinden mag de waarden van de bestemmingen in de omgeving niet onevenredig aantasten.
d.  De regels van 'Artikel 26 ' van dit bestemmingsplan zijn van overeenkomstige toepassing."
7.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er ten opzichte van het bestemmingsplan sprake is van een afname van het totale bouwvlak en dat dit enigszins in noordelijke richting is verschoven. De voorzieningenrechter overweegt dat in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro de bevoegdheid is geregeld om "het plan" te wijzigen. De wijzigingsbevoegdheid van artikel 11.3.1 strekt ertoe om op de gronden waarop de bestemming "Detailhandel" rust, de bouw van een of meerdere woningen mogelijk te maken. De wijzigingsvoorwaarden verzetten zich er in dit geval niet tegen dat ten behoeve hiervan het bestaande bouwvlak dat aan de gronden met de bestemming "Detailhandel" was toegekend, wordt gewijzigd. Vergelijk in die zin ook de uitspraken van de Afdeling van 29 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5193, ov. 10.1, en van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:780, ov. 4.1.
Het betoog slaagt niet.
8.       [verzoekers] betogen dat de verschuiving van het bouwvlak leidt tot gevolgen voor de verkeersveiligheid, de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid, het uitzicht en lichtinval. Deze gevolgen zijn volgens [verzoekers] onvoldoende afgewogen.
8.1.    In de toelichting bij het wijzigingsplan is ten aanzien van verkeer toegelicht dat de ontwikkeling leidt tot een toename van ongeveer 35 tot 43 mvt/etmaal en dat dit zonder problemen in het heersende verkeersbeeld kan worden opgenomen. De ontwikkeling zal volgens het college daarom niet leiden tot een capaciteitsknelpunt. Het college heeft toegelicht dat de ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer zal plaatsvinden aan de zijde van de Melkweg. Langzaam verkeer zal ook via de Stationsstraat een toegang krijgen tot het complex en de bergingen. Verder heeft het college in de zienswijzennota opgemerkt dat er sinds 2014 geen ongeval op het kruispunt Melkweg-Stationsstraat is geregistreerd, dat dit kruispunt is gelegen in een 30 km/u-zone, dat de ontwikkeling het kruispunt niet verandert en dat er geen sprake is van een belemmering van het zicht als gevolg van de nieuwbouw en de aan te brengen begroeiing. Er zal dus geen verkeersonveilige situatie ontstaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op dit standpunt mogen stellen.
8.2.    Wat betreft de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid heeft het college toegelicht dat het bouwvlak enigszins in noordelijke richting is verplaatst, zodat het bouwvlak aansluit op de bebouwingsrooilijn aan de Melkweg en de bebouwing aldaar in één lijn wordt geplaatst, zoals ook het geval is aan de zijde van de Stationsstraat. Verder heeft het college toegelicht dat de goothoogte van 6 m en bouwhoogte van 10 m uit het bestemmingsplan gelden en dat daarmee een kleinschalig appartementengebouw mogelijk wordt gemaakt dat aansluit bij het bestaande straatbeeld. Gelet hierop mocht het college zich dan ook op het standpunt stellen dat de verschuiving van het bouwvlak ook vanuit stedenbouwkundig oogpunt passend is in de omgeving.
8.3.    Het college stelt zich verder op het standpunt dat er geen sprake is van onaanvaardbare schaduwhinder. Het college heeft in de "Bezonningsstudie Stationsstraat 25-27" van HBA B.V. van 20 maart 2024, dat is bijgevoegd bij de plantoelichting, onderzocht wat de invloed is van het gebouw op de bezonning in de omgeving. Daarbij is uitgegaan van de lichte TNO-norm. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat aan de lichte TNO-norm wordt voldaan en dat omliggende objecten zoals waardevolle bomen en panden geen onevenredige nadelige effecten ondervinden van het wijzigingsplan. [verzoekers] hebben de resultaten van de bezonningsstudie niet gemotiveerd betwist. Het college mocht zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook op het standpunt stellen dat geen sprake is van een onaanvaardbare schaduwhinder.
Voor zover [verzoekers] voor het eerst op de zitting hebben gesteld dat in de bezonningsstudie van de strenge TNO-norm had moeten worden uitgegaan, acht de voorzieningenrechter dit in strijd met de goede procesorde. Dit betoog wordt daarom buiten beschouwing gelaten.
8.4.    Wat betreft het uitzicht heeft het college erop gewezen dat de toegestane bouwhoogte in het wijzigingsplan overeenkomt met de reeds toegestane bouwhoogte van 10 m in het bestemmingsplan. Dat het bouwvlak enigszins in noordelijke richting verschuift, zal het uitzicht vanuit de woning van [verzoekers] kunnen wijzigen. Volgens het college weegt het algemeen maatschappelijke belang bij de komst van een nieuw wooncomplex op deze locatie echter zwaarder dan het belang van [verzoekers] bij het behoud van het uitzicht dat zij nu hebben. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het college niet te volgen in dit standpunt.
8.5.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9.       Het beroep is ongegrond. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep ongegrond;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Engelen, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzieningenrechter
w.g. Van Engelen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
842