ECLI:NL:RVS:2026:799

Raad van State

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
202405505/2/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 5, vierde lid, Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om wraking staatsraad wegens vermeende partijdigheid afgewezen wegens te late indiening

De Stichting Platform Keelbos verzocht op 21 januari 2026 om wraking van staatsraad C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer die de hoofdzaak behandelde. De stichting stelde dat de staatsraad op de zitting van 13 januari 2026 de schijn van partijdigheid had gewekt door te verwijzen naar een eerdere uitspraak waartegen de stichting een herzieningsverzoek had ingediend.

De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het wrakingsverzoek op 4 februari 2026. De staatsraad berustte niet in het verzoek en gaf een schriftelijke reactie. De stichting bracht tevens naar voren dat de vraagstelling van de staatsraad over een homo-ontmoetingsplek partijdigheid zou suggereren.

De Afdeling oordeelde dat het wrakingsverzoek te laat was ingediend, omdat het verzoek niet direct na de zitting van 13 januari was gedaan, maar pas op 21 januari. Er waren geen verschoonbare redenen voor deze vertraging. Het feit dat de stichting een herzieningsverzoek had ingediend tegen de eerdere uitspraak bood geen rechtvaardiging voor het late wrakingsverzoek.

Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Awb en artikel 5, vierde lid, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 verklaarde de Afdeling het verzoek niet-ontvankelijk. De staatsraad bleef dus ongewraakt en de procedure kon worden voortgezet.

Uitkomst: Het verzoek om wraking van staatsraad Bangma is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

202405505/2/R3.
Datum beslissing: 13 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
Stichting Platform Keelbos, gevestigd in Nuth, gemeente Beekdaelen,
verzoekster,
om toepassing van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop
Bij brief, ingekomen op 21 januari 2026, heeft de stichting verzocht om wraking van staatsraad mr. C.H. Bangma als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van zaak nr. 202405505/1/R3 (hoofdzaak).
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft een schriftelijke reactie gegeven.
De Afdeling heeft het verzoek om wraking op een zitting behandeld op 4 februari 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], via een videoverbinding, en [gemachtigde B], is verschenen. De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1.       Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van Pro de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.       Op 13 januari 2026 is de hoofdzaak door de staatsraad op een zitting behandeld, waarna het onderzoek is gesloten. Het verzoek om wraking van de staatsraad is op 21 januari 2026 ingediend en bij de Afdeling ingekomen.
3.       De stichting heeft aan haar verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraad op de zitting van 13 januari 2026 de indruk heeft gewekt partijdig te zijn, of de schijn van partijdigheid heeft gewekt, door te refereren aan de uitspraak van 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6280, en aan te kondigen voornemens te zijn deze bij zijn oordeel te betrekken. De stichting betoogt dat die uitspraak niet kan worden betrokken, omdat daarin onjuistheden staan en zij daartegen op 16 januari 2026 een verzoek om herziening heeft ingediend. Tijdens de zitting van 4 februari 2026 heeft zij ook als wrakingsgrond naar voren gebracht dat de staatsraad met zijn vraagstelling over de ligging van de homo-ontmoetingsplek, die in de hoofdzaak aan de orde is, de indruk heeft gewekt partijdig of vooringenomen te zijn.
4.       Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Awb wordt een verzoek om wraking gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. Hierin ligt besloten dat een verzoeker beperkt de tijd heeft om, na het bekend worden van zodanige feiten en omstandigheden, af te wegen of hij wraking opportuun acht en de gronden daartoe zo snel mogelijk kenbaar moet maken. Vergelijk de beslissingen van de Afdeling van 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2412 en 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2105.
5.       In de onderhavige zaak vormt de vraagstelling van de staatsraad tijdens de zitting van 13 januari 2026 de grond die de schijn van partijdigheid heeft gewekt bij de stichting. Met het verzoek om wraking heeft zij gewacht tot 21 januari 2026. Naar het oordeel van de Afdeling is dit te lang na het bekend worden van de feiten voor wraking. Op de zitting van 4 februari 2026 is niet gebleken van verschoonbare redenen die rechtvaardigen dat het verzoek om wraking te laat is ingediend. Dat de stichting tijd nodig had om een verzoek om herziening in te dienen tegen de uitspraak van 31 december 2025, is geen reden waarom niet direct na de zitting een verzoek om wraking kon worden ingediend, omdat de grond voor wraking lag in wat er op de zitting is gezegd.
6.       De Afdeling oordeelt dat het verzoek om wraking te laat is ingediend en dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:16, eerste lid, van de Awb. De Afdeling ziet hierin aanleiding het verzoek om wraking op grond van artikel 5, vierde lid, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechterlijke colleges 2022 niet-ontvankelijk te verklaren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzitter, en mr. J. Luijendijk en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzitter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026
853