ECLI:NL:RVS:2026:825

Raad van State

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000562
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in asielprocedure na weigering verblijfsvergunning

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 1 mei 2025 is afgewezen. Vervolgens heeft de minister op 17 oktober 2025 een vertrekbevel en inreisverbod uitgevaardigd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing ongegrond en vernietigde het besluit tot vertrekbevel.

De minister stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, terwijl verzoeker zowel incidenteel hoger beroep instelde als een verzoek tot voorlopige voorziening indiende. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om opvang en verstrekkingen tijdens het hoger beroep beoordeeld.

Na afweging van de belangen van verzoeker heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Het verzoek wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor opvang en verstrekkingen wordt afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.000562
Datum uitspraak: 17 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende de hoger beroepen van onder meer:
[verzoeker],
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, van 11 december 2025 in zaak nr. NL25.21118 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 17 oktober 2025 heeft de minister verzoeker opgedragen om Nederland en de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 11 december 2025 heeft de rechtbank het door verzoeker ingestelde beroep tegen het besluit van 1 mei 2025 ongegrond verklaard, het door verzoeker ingestelde beroep tegen het besluit van 17 oktober 2025 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Verzoeker heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een zienswijze naar voren gebracht.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij hangende zijn hoger beroep opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Gelet op de belangen die verzoeker naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3.        De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Essenburg
voorzieningenrechter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026
992