Art. 8:81 AwbArt. 6:19 AwbArt. 40, tweede lid, BzArt. 3.5.3, eerste lid, BbzArt. 23 Wbz
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening inzake bemanningscertificaat voor traditioneel zeilschip
Deze zaak betreft een geschil over het bemanningscertificaat van een traditioneel zeevarend zeilschip van minder dan 500 GT en langer dan 12 meter. Verzoekster betwist de verplichting dat ten minste één bemanningslid moet beschikken over het certificaat reddingmiddelen, zoals opgenomen in het certificaat afgegeven door de minister. De rechtbank Overijssel oordeelde dat deze verplichting rechtstreeks geldt, maar erkende een begunstigde afwijking in het bemanningscertificaat die de vaardigheid in plaats van het certificaat eist.
De minister heeft na diverse besluiten het bemanningscertificaat aangepast, maar liet de begunstigende afwijkingsbepaling weg in het besluit van 2 december 2025. Verzoekster vordert daarom een voorlopige voorziening om de minister te dwingen een certificaat met deze afwijking af te geven gedurende het hoger beroep.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister het besluit van de rechtbank niet juist heeft uitgevoerd en dat de begunstigende afwijking in het certificaat niet zonder wettelijke grondslag kan worden verwijderd. De minister kon niet overtuigend aantonen dat de afwijking onder het nieuwe recht niet werkbaar zou zijn. Daarom wordt het verzoek toegewezen en moet de minister binnen een week een bemanningscertificaat met de afwijkingsbepaling afgeven, geldig tot de uitspraak in het hoger beroep.
Uitkomst: De minister wordt bevolen binnen een week een bemanningscertificaat met de begunstigende afwijkingsbepaling af te geven, geldig tot de uitspraak in het hoger beroep.
Uitspraak
202505939/2/A3.
Datum uitspraak: 16 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd in [plaats],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 november 2025 in zaak nr. 24/3080 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2024 heeft de minister afwijzend beslist op het verzoek van [verzoekster] om het bij besluit van 21 maart 2022 afgegeven bemanningscertificaat, geldig van 21 maart 2022 tot en met 31 december 2026, aan te passen.
Bij besluit van 21 mei 2024 heeft de minister aan [verzoekster] een aangepast bemanningscertificaat afgegeven, geldig van 21 mei 2024 tot en met 13 augustus 2024.
Bij besluit van 21 juni 2024 heeft de minister het door [verzoekster] tegen het besluit van 18 maart 2024 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [verzoekster] beroep ingesteld bij de rechtbank.
Bij besluit van 5 augustus 2024 heeft de minister aan [verzoekster] een aangepast bemanningscertificaat afgegeven, geldig van 13 augustus 2024 tot en met 31 januari 2025.
Bij besluit van 28 januari 2025 heeft de minister aan [verzoekster] een aangepast bemanningscertificaat afgegeven, geldig van 1 februari 2025 tot en met 1 december 2025.
Bij uitspraak van 19 november 2025 heeft de rechtbank het door [verzoekster] ingestelde beroep voor zover gericht tegen de besluiten van 21 juni 2024 en 13 augustus 2024 (lees, en hierna: 5 augustus 2024) niet-ontvankelijk verklaard, het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 1 februari 2025 (lees, en hierna: 28 januari 2025) gegrond verklaard, en het besluit van 28 januari 2025 vernietigd voor zover in het daarbij afgegeven bemanningscertificaat de einddatum van de geldigheid is bepaald op 1 december 2025. De rechtbank heeft de minister opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de einddatum van de geldigheid van dat bemanningscertificaat.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister aan [verzoekster] een bemanningscertificaat afgegeven, geldig van 1 december 2025 tot en met 1 mei 2028.
[verzoekster] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 2 december 2025.
Tevens heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoekster] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tegelijk met zes eensluidende verzoeken van exploitanten van soortgelijke schepen, ter zitting behandeld op 22 januari 2026, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door F.L. Snoek, rechtsbijstandverlener in Jubbega, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L. van Dijk-Jonkers en C.W. Kerkmeijer, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de minister met het besluit van 2 december 2025 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en waardoor zij in een nadeliger positie is geraakt. Zij beoogt met het verzoek om een voorlopige voorziening te bewerkstelligen dat de minister alsnog spoedig uitvoering geeft aan de opdracht van de rechtbank.
3. Deze zaak gaat over een bemanningscertificaat voor het zeilschip [naam]. Een schip moet zijn voorzien van een geldig bemanningscertificaat en moet dienovereenkomstig zijn bemand. Een bemanningscertificaat is een certificaat dat door de minister wordt afgegeven, en waarop het minimumaantal bemanningsleden met hun functies aan boord van het betrokken schip staat vermeld. [verzoekster] is het niet eens met de in het op 21 maart 2022 aan haar afgegeven bemanningscertificaat opgenomen bepaling dat - kort gezegd - ten minste één bemanningslid aan boord dient te beschikken over het certificaat reddingmiddelen. De [naam] behoort tot de groep traditionele zeevarende zeilschepen van minder dan 500 Gross Tonnage (GT) en een lengte van meer dan 12 meter. Ter zitting is door partijen aangegeven dat de vloot van dit type schepen in Nederland bestaat uit ongeveer 48 zeilschepen.
4. Op 1 juli 2025 zijn de Wet bemanning zeeschepen (Wbz), het Besluit bemanning zeeschepen (Bbz) en de Regeling bemanning zeeschepen in werking getreden. De Wet zeevarenden (Wz), het Besluit zeevarenden (Bz) en de Regeling bemanning zeegaande zeilschepen zijn per 1 juli 2025 vervallen.
4.1. De Wbz is voorzien van overgangsrecht. Artikel 80, eerste lid, van de Wbz, bepaalt dat een bemanningscertificaat dat is afgegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, zijn geldigheid behoudt tot de daarop aangegeven einddatum. Op grond van het tweede lid blijft op een aanvraag voor een bemanningscertificaat die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet.
4.2. Artikel 40, tweede lid, van het Bz, luidt:
"Kapiteins, stuurlieden, werktuigkundigen, maritiem officieren en officieren elektrotechniek zijn in het bezit van het certificaat reddingmiddelen."
4.3. Artikel 3.5.3, eerste lid, van het Bbz, luidt:
"Een kapitein, stuurman, werktuigkundige, officier elektrotechniek, maritiem officier of andere zeevarende belast met het gebruik van reddingmiddelen en hulpverleningsboten, niet zijnde snelle hulpverleningsboten, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs reddingmiddelen dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/2, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993."
5. Bij besluit van 21 maart 2022 heeft de minister aan [verzoekster] een bemanningscertificaat afgegeven voor het zeilschip de [naam], geldig van 21 maart 2022 tot en met 31 december 2026. Op 4 maart 2024 heeft [verzoekster] aan de minister verzocht een gecorrigeerd bemanningscertificaat af te geven, omdat op pagina 3 van het afgegeven certificaat de volgende bepaling is opgenomen: "At least one crewmember shall be in possession of a valid proficiency in survival craft certificate." Volgens [verzoekster] mag dit vereiste niet worden gesteld, omdat volgens haar artikel 40, tweede lid, van het Bz, niet van toepassing is op zeevarende zeilschepen met minder dan 500 GT, en er ook niet op grond van ander nationaal of internationaal recht voor dit type schepen een verplichting bestaat dat een bemanningslid over een certificaat reddingmiddelen moet beschikken. Op de eerder afgegeven bemanningscertificaten stond in plaats hiervan de volgende bepaling: "At least one crewmember shall be in possession of proficiency in survival craft." Deze bepaling verwees niet naar een certificaat reddingmiddelen, maar bepaalde dat de vaardigheid om reddingmiddelen te gebruiken bij ten minste één bemanningslid aanwezig moest zijn. Volgens [verzoekster] was er voor het opnemen van de nieuwe bepaling in het bemanningscertificaat voor schepen als die van haar geen wettelijke grondslag.
6. De minister heeft het verzoek om een gewijzigd bemanningscertificaat met de oude bepaling af te geven, afgewezen. Volgens de minister is artikel 40, tweede lid, van het Bz, ook van toepassing op zeevarende zeilschepen van minder dan 500 GT. Volgens de minister is het vereist dat ten minste één bemanningslid aan boord beschikt over het certificaat reddingmiddelen.
Tegen de afgifte van bemanningscertificaten met de nieuwe bepaling over het vereiste certificaat reddingmiddelen dan wel de weigering van de minister tot afgifte van een aangepast bemanningscertificaat, hebben naast [verzoekster] ook verschillende andere exploitanten van soortgelijke schepen rechtsmiddelen aangewend. Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 8 mei 2024, zaaknummers 23/2488 en 24/2326, over een ander schip, heeft de minister bij besluit van 21 mei 2024 alsnog aan [verzoekster] een aangepast bemanningscertificaat afgegeven, geldig van 21 mei 2024 tot en met 13 augustus 2024. Op dit bemanningscertificaat is de nieuwe bepaling, die [verzoekster] verwijderd wil zien, vervangen door de oude bepaling zoals die op de eerdere bemanningscertificaten stond vermeld ("At least one crewmember shall be in possession of proficiency in survival craft").
Bij besluit van 21 juni 2024 heeft de minister het bezwaar van [verzoekster] tegen het besluit van 18 maart 2024 ongegrond verklaard en het standpunt in dat besluit gehandhaafd dat ten minste één bemanningslid moet beschikken over het certificaat reddingmiddelen. Met de bepaling dat tenminste één bemanningslid moet beschikken over het certificaat reddingmiddelen, wijkt de minister al af van het vereiste in artikel 40, tweede lid, van het Bz, ten gunste van het type zeilschepen waartoe de [naam] behoort. Volgens het besluit van 21 juni 2024 zal de minister met ingang van 13 augustus 2024 weer de nieuwe bepaling opnemen op het bemanningscertificaat. Dat laatste is feitelijk niet gebeurd.
Naar aanleiding van het verzoek van [verzoekster] om het op 21 mei 2024 afgegeven bemanningscertificaat te verlengen gedurende de behandeling van het beroep, heeft de minister bij besluit van 5 augustus 2024 een bemanningscertificaat afgegeven met daarop de oude bepaling, geldig van 13 augustus 2024 tot en met 31 januari 2025. Op verzoek van [verzoekster] heeft de minister bij besluit van 28 januari 2025 opnieuw een bemanningscertificaat afgegeven met daarop de oude bepaling, geldig van 1 februari 2025 tot en met 1 december 2025.
7. Bij uitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6772, heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat gelet op de wettelijke systematiek van het op grond van het overgangsrecht toepasselijke oude recht het bepaalde in artikel 40, tweede lid, van het Bz, van toepassing is op het zeilschip de [naam]. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank een rechtstreeks werkende verplichting voor de [naam] dat de in die bepaling genoemde bemanningsleden beschikken over een certificaat reddingmiddelen. Deze verplichting geldt volgens de rechtbank niet pas als dit expliciet staat vermeld op het bemanningscertificaat.
De rechtbank heeft geconstateerd dat de minister in het voordeel van [verzoekster] is afgeweken van de in artikel 40, tweede lid, van het Bz opgenomen verplichting, omdat de minister genoegen neemt met de aanwezigheid van de vaardigheid om te werken met reddingmiddelen in plaats van het certificaat en dat bij slechts één bemanningslid. Volgens de minister heeft deze afwijking plaatsgevonden op basis van buitenwettelijk dan wel tegenwettelijk beleid. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er reden om die begunstigende afwijking op te nemen in het bemanningscertificaat, omdat er zonder die expliciete opname geen kenbaarheid is van de verleende afwijking van de in artikel 40, tweede lid, van het Bz opgenomen verplichting. De rechtbank is niet getreden in de beoordeling of de minister bevoegd was tot het verlenen van de afwijking, omdat [verzoekster] daar geen belang bij heeft.
De rechtbank heeft de besluiten van 5 augustus 2024 en 28 januari 2025 aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 6:19 vanPro de Awb, en aangenomen dat de minister met die besluiten aan [verzoekster] is tegemoetgekomen, omdat daarin de bestreden bepaling in het bemanningscertificaat is vervangen door de oude bepaling. De minister is echter gelet op de geldigheidsduur van de bemanningscertificaten niet volledig tegemoetgekomen. [verzoekster] heeft volgens de rechtbank geen belang meer bij het beroep voor zover dat is gericht tegen de besluiten van 21 juni 2024 en 5 augustus 2024. De rechtbank heeft het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 28 januari 2025 gegrond verklaard, omdat de minister niet heeft gemotiveerd waarom hij hierin ten nadele van [verzoekster] een kortere geldigheidsduur aan het bemanningscertificaat heeft verbonden dan aan het bij besluit van 21 maart 2022 afgegeven bemanningscertificaat. De rechtbank heeft het besluit van 28 januari 2025 vernietigd voor zover de einddatum van het bemanningscertificaat is bepaald op 1 december 2025, en heeft de minister opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de einddatum van de geldigheid van het laatst afgegeven bemanningscertificaat.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de rechtbankuitspraak volgt dat de rechtbank het besluit van 28 januari 2025 heeft getoetst en heeft vernietigd uitsluitend voor zover het de einddatum van het daarmee afgegeven bemanningscertificaat betreft en dat ook de herstelopdracht daartoe is beperkt. Aan dat oordeel ligt mede ten grondslag dat dit besluit tegemoetkomend is in zoverre het de oude bepaling bevat over de vereiste vaardigheid in plaats van het certificaat. Hieruit kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders worden begrepen dan dat de rechtbank heeft beoogd dat de minister het in beroep bestreden en gedeeltelijk vernietigde besluit uitsluitend voor wat betreft de geldigheidsduur van het bemanningscertificaat zou heroverwegen, ervan uitgaande dat de in het bemanningscertificaat opgenomen oude bepaling met de begunstigende afwijking daarvan deel uitmaakt en dus zou blijven uitmaken.
9. De minister heeft tegen de uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep ingesteld, heeft vooralsnog geen incidenteel hoger beroep ingesteld, en heeft ook niet verzocht om een voorlopige voorziening om geen uitvoering te hoeven geven aan de uitspraak van de rechtbank. De minister is gehouden om uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank en een besluit te nemen met inachtneming daarvan. De minister stelt zich op het standpunt dat hij dat heeft gedaan met het besluit van 2 december 2025.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister in het besluit van 2 december 2025 weliswaar de geldigheidsduur van het bemanningscertificaat heeft aangepast en de einddatum nu heeft vastgesteld op 1 mei 2028, maar dat hij ook de bepaling met de door de rechtbank bedoelde begunstigende afwijking ("At least one crewmember shall be in possession of proficiency in survival craft") heeft weggelaten. Daardoor geldt volgens de minister voor de [naam] de rechtstreeks werkende verplichting dat de genoemde bemanningsleden moeten beschikken over een certificaat reddingmiddelen. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de minister naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het besluit daarom niet genomen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. De andersluidende opvatting van de minister kan de voorzieningenrechter niet volgen. Daarom is dat besluit naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig.
[verzoekster] heeft spoedeisend belang bij een juiste uitvoering van de rechtbankuitspraak gedurende het hoger beroep, omdat het merendeel van de bemanning niet beschikt over een certificaat reddingmiddelen, en de exploitatie van de [naam] daardoor thans ernstig wordt belemmerd.
11. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of er desondanks omstandigheden bestaan die zich verzetten tegen het treffen van de gevraagde voorziening. Aanleiding hiervoor is het standpunt van de minister dat de begunstigende bepaling op een bemanningscertificaat niet kan afdoen aan de verplichtingen die met ingang van 1 juli 2026 rechtstreeks uit de nieuwe wet- en regelgeving voortvloeien. Volgens de minister zal het opnemen van een bepaling waarmee daarvan wordt afgeweken voor verwarring zorgen en zullen er daardoor uitvoeringsproblemen optreden.
12. De voorzieningenrechter is niet overtuigd door dit argument van de minister om af te zien van het treffen van de gevraagde voorziening. Zowel onder het oude als onder het nieuwe recht is er geen wettelijke grondslag voor een afwijking van de verplichting voor de bemanning om in het bezit te zijn van een certificaat reddingmiddelen, zoals voorgeschreven in artikel 40, tweede lid, van het Bz en artikel 3.5.3, eerste lid van het Bbz. De minister heeft die, ook desgevraagd op zitting, niet kunnen aanwijzen. Daargelaten hoe de oude en nieuwe variant van de afwijkingsbepalingen op het bemanningscertificaat moeten worden gekwalificeerd en in het midden latend of artikel 40, tweede lid van het Bz wel of niet op schepen als de [naam] van toepassing was, stelt de voorzieningenrechter vast dat de minister deze bepalingen zelf wel steeds heeft aangemerkt als een begunstigende afwijking van de geldende verplichting en dat de groep zeevarende zeilschepen waartoe de [naam] behoort hiermee ook volgens de minister in de praktijk een uitzonderingspositie verkreeg in afwijking van het geldende recht. Ter zitting is gebleken dat de minister hieraan ook altijd gevolg heeft gegeven en ook in het buitenland voor dit type zeilschepen te hulp is geschoten indien er bij controles onduidelijkheid bestond over de bepaling op het bemanningscertificaat. Naar het standpunt van de minister is deze uitzonderingspositie onder het nieuwe recht niet meer mogelijk.
13. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 3.5.3, eerste lid, van het Bbz op de [naam] van toepassing is en, volgens de minister na een overgangsperiode van een jaar, vanaf 1 juli 2026 rechtstreekse werking heeft. Hieruit volgt dat alle in dat artikel genoemde bemanningsleden met ingang van 1 juli 2026 moeten beschikken over een certificaat reddingmiddelen. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 3.5.3, eerste lid, van het Bbz, een omzetting is van het bepaalde in artikel 40, tweede lid, van het Bz. De minister stelt dat er na de overgangsperiode van 1 juli 2025 tot 1 juli 2026, niet meer kan worden afgeweken van de verplichting in artikel 3.5.3, eerste lid, van het Bbz. De minister heeft echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter desgevraagd ter zitting niet kunnen uitleggen waarom de bepaling met de begunstigende afwijking onder het oude recht in de praktijk wel werking had en werkbaar was, maar onder het nieuwe recht niet dezelfde werking kan hebben dan wel niet werkbaar zou kunnen zijn. De minister heeft er in dit kader op gewezen dat de verplichting om te beschikken over een certificaat reddingmiddelen vanaf 1 juli 2026 rechtstreeks geldt zowel bij het aanvragen van een vaarbevoegdheidsbewijs als bij het dienst doen aan boord van een schip. Ook heeft de minister erop gewezen dat de grondslag van de verplichting in artikel 3.5.3, eerste lid, van het Bbz, is gelegen in een uitwerking van de artikelen 23 en 25 van de Wbz. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 23 vanPro de Wbz ziet op vaarbevoegdheidsbewijzen. In deze zaak gaat het niet om een vaarbevoegdheidsbewijs, maar om een bemanningscertificaat. De stelling van de minister dat ieder bemanningslid met ingang van 1 juli 2026 hoe dan ook zal moeten voldoen aan de eisen die onder de Wbz worden gesteld aan een vaarbevoegdheidsbewijs, wat een begunstigde afwijkingsbepaling in een bemanningscertificaat zou doorkruisen, kan de voorzieningenrechter niet volgen. [verzoekster] heeft er terecht op gewezen dat op grond van het overgangsrecht in artikel 81 vanPro de Wbz, geldt dat een vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven onder het oude recht, zijn geldigheid behoudt en dat op een aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs die is ingediend voor de inwerkingtreding van de Wbz, het oude recht van toepassing blijft. Voor die vaarbevoegdheidsbewijzen geldt de verplichting in artikel 3.5.3, eerste lid, van het Bbz derhalve nog niet. Voor wat betreft de gestelde grondslag van de aanvullende beroepseisen in artikel 25 vanPro de Wbz heeft [verzoekster] naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht naar voren gebracht dat het bepaalde in dat artikel alleen van toepassing is op zeevarenden die aan boord van een zeeschip een functie of taak vervullen als bedoeld in de in die bepaling genoemde internationale verdragen en richtlijn, terwijl tussen partijen niet in geschil is dat het type traditionele zeilschepen als de [naam] niet onder het bereik daarvan valt.
Ten aanzien van het betoog van de minister dat het in het belang van de veiligheid is dat de bemanning beschikt over het certificaat reddingmiddelen en dat ook om die reden niet langer kan worden ingestemd met een begunstigende afwijking voor dit type schepen, heeft de minister niet overtuigend kunnen aangeven waarom dit nu zodanig anders is dan in de periode tot 1 december 2025, dat dit aan toewijzing van de gevraagde voorziening voor de duur van het hoger beroep in de weg moet staan.
14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond om aan te nemen dat toewijzing van de gevraagde voorziening met de strekking dat overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank gedurende het hoger beroep een bemanningscertificaat wordt afgegeven met daarin de afwijkingsbepaling zoals de [naam] die jarenlang probleemloos heeft gehad in de praktijk tot onduidelijke, onwerkbare of onveilige situaties zal leiden.
15. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek toe te wijzen in die zin dat als voorlopige voorziening wordt bepaald dat de minister [verzoekster] binnen een week in het bezit stelt van een bemanningscertificaat dat is voorzien van de bepaling "At least one crewmember shall be in possession of proficiency in survival craft", en dat tenminste geldig is totdat op het hoger beroep is beslist.
16. De minister moet de proceskosten vergoeden. Daarbij wordt overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking genomen dat deze zaak samenhangt met de zes andere verzoeken die tegelijk op de zitting zijn behandeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister [verzoekster] binnen een week in het bezit stelt van een bemanningscertificaat dat is voorzien van de bepaling "At least one crewmember shall be in possession of proficiency in survival craft", en dat tenminste geldig is totdat op het hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Waterstaat tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 400,29, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 579,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Houtman-van de Meerakker, griffier.