ECLI:NL:RVS:2026:853

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
15 februari 2026
Zaaknummer
202600087/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.13 WHWArt. 8:72 AwbArt. B.5.4 OER
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering extra herkansing en toewijzing voorlopige voorziening voor studente UvA

Een studente van de opleiding Computational Social Science aan de Universiteit van Amsterdam verzocht om een extra herkansing van een opdracht die zij niet had behaald, wat door de examencommissie werd afgewezen. Het college van beroep voor de examens (CBE) verklaarde het administratief beroep ongegrond, omdat de studente niet voldeed aan de aanwezigheids- en inspanningsverplichtingen en onvoldoende persoonlijke omstandigheden aannemelijk had gemaakt.

De studente liep hierdoor een jaar studievertraging op, omdat zij semester 2 niet kon afronden en daardoor niet toegelaten werd tot semester 3 en 4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het CBE onvoldoende rekening had gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de studente, waaronder een seksueel geweldsincident, huisuitzetting, rouw en financiële problemen.

De Afdeling stelde vast dat het CBE een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek had begaan door niet concreet in te gaan op deze omstandigheden en de verstrekkende gevolgen van de weigering. Tevens had het CBE een evenredigheidstoets moeten uitvoeren. De Afdeling verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de beslissing van het CBE en beval een nieuwe beslissing binnen drie weken.

Daarnaast werd bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de examencommissie de studente een extra herkansing moet aanbieden en haar twee weken de tijd moet geven deze in te dienen, om onomkeerbare studievertraging te voorkomen. Het CBE werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitkomst: De beslissing van het college van beroep wordt vernietigd en de studente krijgt een extra herkansing aangeboden om studievertraging te voorkomen.

Uitspraak

202600087/1/A2.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 7 augustus 2025 heeft de examencommissie Computational Social Science van de UvA het verzoek van [appellante] om een extra herkansing van een opdracht van een vak, afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] administratief beroep ingesteld.
Bij beslissing van 12 december 2025 heeft het CBE het administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. A. Hussaini, advocaat in Amsterdam, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. E.A. Jousma, vergezeld van dr. D. Gerritsen namens de examencommissie, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak.
2.       [appellante] volgt de opleiding Computational Social Science aan de UvA. Ieder studiejaar van de opleiding bestaat uit twee semesters. In elk semester wordt een vak van 30 ECTS aangeboden dat bestaat uit opdrachten en tentamens. Ieder onderdeel moet behaald worden en kan één keer herkanst worden. Onder bepaalde omstandigheden wordt een verzoek om een derde kans toegewezen. Het eerste studiejaar bestaat uit semester 1 en 2 en het tweede studiejaar bestaat uit semester 3 en 4. Studenten moeten een semester afronden voor zij worden toegelaten tot het volgende semester.
3.       [appellante] heeft semester 2 in studiejaar 2024-2025 niet kunnen afronden omdat zij de opdracht ‘Literature Review’ van het vak ‘Building Blocks: Experimenting with digital interventions for behavioural change’ niet heeft behaald. De opdracht telt voor 10% van het cijfer van het vak mee. Ook de herkansing van de opdracht, waarvan de deadline was op 13 juni 2025, heeft zij ingeleverd maar niet behaald. Dat betekent dat [appellante] 0 ECTS van semester 2 heeft behaald en een jaar studievertraging oploopt. [appellante] heeft verzocht om een extra herkansing van de opdracht.
4.       De examencommissie heeft het verzoek afgewezen en haar geen derde kans aangeboden. Hangende haar administratief beroep tegen deze beslissing heeft de opleiding [appellante] wel voorlopig laten deelnemen aan het onderwijs van semester 3. Zij heeft naar eigen zeggen alle opdrachten daarvan ingeleverd en de tentamens afgelegd.
Beslissing van het CBE van 12 december 2025 en het gevolg daarvan
5.       Het CBE heeft gewezen op artikel B.5.4, negende lid, van de Teaching and Examination Regulations Bachelor’s programme in Computational Social Science 2024-2025 (de OER), waarin staat dat een herkansing kan worden aangeboden als de student heeft voldaan aan de aanwezigheids- en inspanningsverplichtingen van het vak. Het CBE heeft geconcludeerd dat [appellante] niet heeft voldaan aan de aanwezigheids- en inspanningsverplichtingen van het vak. Zij is een aanzienlijk deel van de tijd niet aanwezig geweest bij het onderwijs. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij wegens persoonlijke omstandigheden niet aanwezig kon zijn. Bij twee eerdere opdrachten heeft de examencommissie haar wel uit coulance een extra herkansing geboden. Volgens het CBE is de examencommissie niet gehouden om uitzonderingen te blijven maken en mocht het verzoek worden afgewezen.
6.       Omdat zij volgens het CBE geen recht heeft op een extra herkansing, mocht [appellante] ook niet toegelaten worden tot semester 3. Haar ingeleverde opdrachten en gemaakte tentamens van semester 3 zijn daarom niet (individueel) beoordeeld. Zij kan daarom niet deelnemen aan semester 4, dat begint in februari 2026. Zij moet opnieuw deelnemen aan semester 2, dat ook in februari 2026 aanvangt.
Bindend studieadvies (BSA)
7.       Van de BSA-commissie heeft [appellante] uitstel van de BSA-norm gekregen, waardoor zij de studie mag voortzetten in studiejaar 2025-2026.
Beroep en de beoordeling daarvan
8.       [appellante] voert aan dat het CBE de in de OER vastgelegde procedures incorrect heeft toegepast. Verder heeft het CBE onvoldoende rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden, waaronder een seksueel geweldsincident, huisuitzetting, rouw en financiële problemen. De beslissing van het CBE is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel genomen.
[appellante] betoogt verder dat de beslissing in strijd met het evenredigheidsbeginsel is genomen. Zij wijst erop dat zij een jaar studievertraging oploopt door de weigering van de examencommissie. Als gevolg van de weigering om een extra herkansing moet zij semester 2 en 3 opnieuw doen en kan zij nog niet verder met semester 4. Daardoor loopt zij studievertraging op en moet zij langer collegegeld betalen. Zij is daartoe niet in staat wegens financiële problemen.
8.1.    Uit de OER volgt dat studenten alleen in aanmerking kunnen komen voor een (extra) herkansing, als zij hebben voldaan aan de aanwezigheids- en inspanningsverplichtingen van het vak. [appellante] is inderdaad vaak niet aanwezig geweest. Zij heeft echter ook al gedurende het studiejaar bij de studieadviseur en de opleiding aangegeven dat er bij haar sprake was van meerdere persoonlijke omstandigheden die de voortgang van de studie en ook haar aanwezigheid negatief hebben beïnvloed. Het CBE heeft, ook ter zitting van de Afdeling, aangegeven dat het deze persoonlijke omstandigheden grotendeels niet betwist, maar in de beslissing van het CBE wordt, anders dan door middel van een algemene overweging, niet op deze persoonlijke omstandigheden ingegaan. Verder is van belang dat de opdracht waarvoor [appellante] een extra herkansing vraagt, slechts voor 10% van de beoordeling van het vak van 30 ECTS meetelt. Het gaat dus om een beperkt onderdeel van het vak, terwijl [appellante] de overige onderdelen van het vak wel heeft behaald. Binnen het voortgangssysteem van de opleiding betekent de weigering om een extra herkansing van deze opdracht echter dat zij 0 ECTS heeft behaald in semester 2 en dat zij niet verder kan met de studie. De weigering van de examencommissie van een extra herkansing van de opdracht van 10% van het cijfer van het vak, heeft dus als verstrekkend gevolg dat [appellante] een jaar studievertraging oploopt. Ter zitting van de Afdeling heeft het CBE naar voren gebracht dat [appellante] schriftelijk is gewaarschuwd voor de gevolgen van een te lage aanwezigheid en daarop ook is aangesproken. De Afdeling gaat aan deze stelling voorbij omdat de schriftelijke waarschuwing geen onderdeel uitmaakt van het dossier en dit niet eerder door de examencommissie of het CBE aan [appellante] is tegengeworpen.
8.2.    Gelet op de aangevoerde persoonlijke omstandigheden en de verstrekkende gevolgen van de beslissing om geen herkansing van de opdracht te geven, had het naar het oordeel van de Afdeling verder op de weg van het CBE gelegen om een evenredigheidstoets uit te voeren. Daarbij had het CBE in zijn beslissing concreet moeten ingaan op de persoonlijke omstandigheden van [appellante] en de hiervoor genoemde gevolgen van de weigering moeten betrekken. Omdat het CBE dat niet heeft gedaan, is alleen al daarom sprake van een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek in zijn beslissing van 12 december 2025. Overigens is de Afdeling van oordeel dat de weigering van de extra herkansing, binnen het voortgangssysteem van de opleiding, zich niet goed lijkt te verhouden tot het aan [appellante] toegekende uitstel van de BSA-norm.
8.3.    Het betoog slaagt.
Conclusie beroep
9.       Het beroep is gegrond. De beslissing van het CBE van 12 december 2025 moet worden vernietigd. De Afdeling zal, gelet op de hierna te treffen voorlopige voorziening, het CBE opdragen om binnen drie weken een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
10.     Het CBE moet de proceskosten vergoeden.
Voorlopige voorziening
11.     [appellante] heeft hangende het beroep verzocht om een voorlopige voorziening, zodat zij deel kan blijven nemen aan het onderwijs. Semester 4 is namelijk, tegelijkertijd met semester 2, begonnen in februari 2026. Zij heeft opgemerkt dat zij als gevolg van de weigering van de examencommissie onomkeerbare studievertraging oploopt. Daarentegen zou een extra herkansing haar de mogelijkheid geven om te laten zien dat zij verder kan met de opleiding. Als zij die extra herkansing behaalt, kunnen vervolgens de ingeleverde opdrachten en gemaakte tentamens van semester 3 beoordeeld worden. Als zij daarmee semester 3 heeft behaald, kan zij door met semester 4. Op dat verzoek wordt bij afzonderlijke uitspraak van vandaag in zaak nr. 202600087/2/A2, ECLI:NL:RVS:2026:854, door de voorzieningenrechter beslist.
11.1.  Gelet op de spoedeisendheid, de mogelijk onomkeerbare studievertraging en de vernietiging van de beslissing van het CBE, ziet de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de examencommissie [appellante] een extra herkansing van de opdracht aanbiedt en haar de mogelijkheid geeft deze in te dienen. De Afdeling zal hiervoor een termijn van twee weken stellen. Ter zitting van de Afdeling is gebleken dat deze termijn haalbaar is voor de examencommissie.
Slotsom van deze uitspraak
12.     Het CBE moet binnen drie weken opnieuw beslissen op het administratief beroep. Het CBE moet in zijn nieuwe beslissing het zorgvuldigheidsgebrek en de motivering in zijn beslissing van 12 december 2025 herstellen en verder een evenredigheidstoets uitvoeren, waardoor inhoudelijk kan worden beoordeeld of het verzoek om een extra herkansing terecht is geweigerd.
13.     Hangende dit administratief beroep bepaalt de Afdeling, bij wijze van voorlopige voorziening, dat de examencommissie [appellante] een extra herkansing van de opdracht aanbiedt en binnen twee weken laat indienen ter voorkoming van onomkeerbare studievertraging. Indien het CBE beslist dat het administratief beroep van [appellante] gegrond is, zal de opleiding de opdracht moeten beoordelen. Indien de opdracht blijkt te zijn behaald, is het aan de opleiding om haar ingeleverde onderdelen van semester 3 te beoordelen en te bezien wat de gevolgen zijn voor deelname aan semester 4.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep gegrond;
II.       vernietigt de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam van 12 december 2025, nr. 2025-126599;
III.      draagt het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam op om binnen drie weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
IV.      bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat hangende het administratief beroep de examencommissie Computational Social Science van de Universiteit van Amsterdam [appellante] een extra herkansing van de opdracht ‘Literature Review’ van het vak ‘Building Blocks: Experimenting with digital interventions for behavioural change’ geeft en in de gelegenheid stelt deze opdracht binnen twee weken na deze uitspraak in te dienen;
V.       veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam in de door [appellante] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.      gelast dat het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam het door [appellante] betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
1100
Bijlage
Relevante regelgeving
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.13
1. Het instellingsbestuur stelt voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast. De onderwijs- en examenregeling bevat adequate en heldere informatie over de opleiding of groep van opleidingen.
2. In de onderwijs- en examenregeling worden, onverminderd het overigens in deze wet terzake bepaalde, per opleiding of groep van opleidingen de geldende procedures en rechten en plichten vastgelegd met betrekking tot het onderwijs en de examens. Daaronder worden ten minste begrepen:
a. de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden examens,
[…]
h. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden,
[…]
j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens, alsmede de wijze waarop inschrijving hiervoor plaatsvindt en de reguliere inschrijfperiode die van toepassing is,
[…]
Teaching and Examination Regulations Bachelor’s programme in Computational Social Science 2024-2025 (de OER)
Article A-4.5
1. Students shall be offered two opportunities to take part in examinations over the course of the academic year, unless otherwise stipulated in Section B.13
[…]
5. Further conditions concerning resits, if applicable, are described in Section B.14.
Article A.8
In instances not regulated by the Teaching and Examination Regulations or in  case of demonstrable extreme unreasonableness and unfairness, the dean responsible for the degree programme will decide, unless the matter concerned is the responsibility of the Examinations Board.
Article B.5.2
[…]
2. In case a unit of study consists of one or more tutorials or seminars, the student is required to attend these tutorials or seminars in a well prepared manner. The course manual provides the details of the attendance rules.
3. Should the student not be able to fulfill the attendance requirements due to special circumstances, the lecturer will determine, after having been informed by the student about the reasons of the absence, whether and in what way the student can still fulfill attendance requirements.
[…]
5. In cases of extenuating circumstances, the Examinations Board may, upon the motivated request of the student, issue an exception to the attendance rules.
Article B.5.4
1. Each unit of study of more than 6 EC has a minimum of two assessment components.
2. All assessment components that represent less than 40% of the final  mark are eligible for mutual compensation in the event of one failing partial mark.
3. Two opportunities are offered in which to successfully complete each assessment component representing 40% or more of the final mark of a unit  of study: the first opportunity and a resit (in the case of an examination) or a resubmission (in the case of another form of assessment).
[…]
5. The first assessment opportunity for all assessment components of a course unit must be offered during the term in which the course unit is taught. Any second assessment opportunity (the resit) must be offered before the end of the academic year in which the course unit is taught.
6. A resit of an examination is in principle scheduled outside regular term times, and in any event before 1 August.
[…]
9. Resit and/or resubmission opportunities may only be offered to students who fulfill the participation/effort requirements set out in the course manual.