202500584/1/V6.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 17 december 2024 in zaak nr. 24/2632 in het geding tussen:
[appellante]
en
de staatssecretaris van Participatie en Integratie (de staatssecretaris).
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verzoek van [appellante] om restitutie van het betaalde examengeld afgewezen en geweigerd [appellante] een gratis examen aan te bieden.
Bij besluit van 15 februari 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De staatssecretaris heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2026, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H. Bouhuys, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft zich aangemeld voor het examen Kennis van de Nederlandse Maatschappij op 27 oktober 2023. Dit examen is onderdeel van haar inburgeringstraject. Op 24 oktober 2023 heeft [appellante] zich afgemeld voor het examen, omdat haar partner in contact was gekomen met een persoon met gordelroos, zij zelf zwanger was en er hierdoor in hun gezin veel stress was ontstaan. Op 27 november 2023 heeft [appellante] de staatssecretaris verzocht om restitutie van het door haar betaalde examengeld.
2. De staatssecretaris heeft het examengeld voor het geannuleerde examen niet terugbetaald, omdat [appellante] zich te laat heeft afgemeld voor het examen. Volgens het examenreglement had [appellante] haar examen uiterlijk veertien dagen vóór het afleggen ervan moeten annuleren om in aanmerking te komen voor een terugbetaling. [appellante] heeft zich pas drie dagen van tevoren afgemeld. Ook biedt de staatssecretaris [appellante] geen gratis examen aan, omdat zij hiervoor niet op tijd een verzoek heeft ingediend. [appellante] had volgens het examenreglement dit verzoek uiterlijk tien dagen na het examen van 27 oktober 2023 moeten indienen. Zij heeft haar verzoek pas op 27 november 2023 ingediend. De rechtbank heeft deze regels in het examenreglement niet onredelijk geacht en heeft geoordeeld dat de staatssecretaris het verzoek om restitutie en een gratis examen mocht afwijzen.
Hoger beroep
3. [appellante] voert in hoger beroep aan dat de staatssecretaris haar onvoldoende heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om een gratis examen aan te vragen. Zij was hierdoor niet in staat om op tijd een verzoek in te dienen, omdat zij niet wist dat het een mogelijkheid was. [appellante] vindt dat de staatssecretaris haar daarom alsnog een gratis examen moet toekennen.
4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de regels voor het aanvragen van een gratis examen duidelijk zijn en dat de gevolgen van het besluit niet onredelijk bezwarend zijn voor [appellante]. De Afdeling verwijst kortheidshalve naar de uitspraak van de rechtbank onder 7.1, 7.2 en 7.3. De Afdeling voegt daaraan toe dat het in eerste instantie aan[appellante] is om zich te informeren over de toepasselijke regels rondom het examen. Daarnaast heeft de staatssecretaris[appellante] ook geïnformeerd over deze regels door haar in de oproep voor het examen op 27 oktober 2023 erop te wijzen dat de regels voor het examen in het examenreglement staan en dat dit te raadplegen is via www.inburgeren.nl.
4.1. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
887-1127