202404470/1/R4.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Rheden,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Rheden,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Rheden, locatie Groenestraat-Oranjeweg (uitbreiding supermarkt)" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Europa Have B.V., Becedo Vastgoed B.V. en Becedo Vastgoed I B.V. (tezamen Becedo) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Becedo en [appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 28 januari 2026, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant A], [appellant B], [appellant] en [appellant C], de raad, vertegenwoordigd door A.M. Peters, en Becedo, vertegenwoordigd door mr. R.H.M. Sipman, advocaat in Oosterbeek, en J. Sanders, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 14 september 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan maakt mogelijk dat de Albert Heijn supermarkt aan de Groenestraat 78 in Rheden kan uitbreiden van 900 m2 naar 1.400 m2 winkelvloeroppervlak. Becedo is de initiatiefnemer en ook de franchisenemer van de supermarkt. [appellant] en anderen wonen aan de [locatie 1] tot en met [locatie 2]. Hun achtertuinen grenzen aan het plangebied. Zij vrezen voor nadelige gevolgen voor hun woon- en leefklimaat en voor de verkeersveiligheid.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
De beroepsgronden
Bezonningsonderzoek
4. [appellant] en anderen betogen dat de raad zich bij het vaststellen van het bestemmingsplan niet had mogen baseren op het bezonningsonderzoek van Arlan Architecten B.V. van november 2023. Volgens hen is dat onderzoek niet duidelijk, niet controleerbaar en niet volledig, omdat de gebruikte methoden, modellen, ingevoerde data en meetpunten niet kenbaar zijn gemaakt en een verouderde situatietekening is gehanteerd waarop niet alle uitbouwen van hun woningen staan. Zij vrezen dat de zon- en daglichttoetreding in hun woningen wezenlijk wordt verminderd door het laad- en losstation dat het bestemmingsplan mogelijk maakt.
4.1. In de plantoelichting staat over het aspect bezonning dat de tuinen van de woningen aan de [locatie 1] tot en met [locatie 2] op het noordoosten liggen, waardoor de effecten minimaal zijn of niet bestaan. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] en anderen is in november 2023 een bezonningsonderzoek uitgevoerd. Daarover staat in de plantoelichting dat dit onderzoek aantoont dat het laad- en losstation geen gevolgen heeft voor de bezonning, daglichttoetreding en schaduwhinder op de betreffende woningen. In het verweerschrift licht de raad toe dat voor het bezonningsonderzoek het programma Revit is gebruikt, waarbij de exacte locatie van het project is ingevoerd en een simulatie is uitgevoerd voor verschillende maanden en tijdstippen. Het onderzoek laat zien dat het laad- en losstation enkel in de maanden maart tot en met september in de vroege ochtend tot uiterlijk 12:00 uur schaduw veroorzaakt in de tuinen van de woningen aan de Steenbakkersweg. In de zomer als de zon hoger staat, is de schaduw van het laad- en losstation al veel eerder op de ochtend verdwenen. De raad erkent dat op de situatietekening de uitbouw en de overkapping bij de huisnummers [locatie 3] en [locatie 4] ontbreken, maar stelt dat desondanks duidelijk is dat de schaduw al vanaf 09:00 uur niet meer tot daar komt, omdat die uitbouwen even diep zijn als de uitbouw bij huisnummer [locatie 2] die wel is ingetekend en die niet wordt bereikt door de schaduw.
[appellant] en anderen betwisten de toelichting in het verweerschrift niet. Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet mocht baseren op het bezonningsonderzoek van november 2023. Uit dit onderzoek blijkt dat de schaduw van het laad- en losstation op geen enkel moment in het jaar na 09:00 uur de woningen van [appellant] en anderen bereikt, ook niet de op de situatietekening ontbrekende uitbouwen. Hun vrees dat het laad- en losstation de zon- en daglichttoetreding in hun woningen wezenlijk zal verminderen, is dan ook onterecht.
Overigens heeft Becedo op 14 oktober 2024 een aanvullend bezonningsonderzoek laten uitvoeren door FERM Architecten, waarin een groter aantal tijdstippen is beschouwd en de bestaande situatie is vergeleken met de beoogde situatie, waarbij op de situatietekening ook de uitbouw en de overkapping bij de huisnummers [locatie 3] en [locatie 4] zijn ingetekend. Op de zitting zijn de resultaten hiervan getoond en besproken met partijen. Dit aanvullend onderzoek bevestigt de resultaten van het onderzoek van Arlan Architecten van november 2023.
Het betoog faalt.
Toegestane bouwhoogte
5. [appellant] en anderen betogen dat de maximaal toegestane bouwhoogte van 4,5 m op de plek van het voorziene laad- en losstation onaanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Hoewel er op die plek al een bouwvlak aanwezig is, wordt dat volgens hen aanzienlijk breder en komt het op slechts 4 m afstand van de achtergevel van hun woningen te liggen, wat zal leiden tot een opgesloten gevoel.
5.1. De raad stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het laad- en losstation op de beoogde plek stedenbouwkundig inpasbaar is, omdat het op voldoende afstand van de achtergevels van de woningen is voorzien en er met een bouwhoogte van 4,5 m nog voldoende zicht zal zijn op lucht. De raad wijst er verder op dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Rheden 2016, woongebieden" bijgebouwen tot maximaal 5 m hoog waren toegestaan buiten het bouwvlak, dus ook op de plek van het huidige bouwvlak voor het laad- en losstation. Volgens de raad veranderen de bouwmogelijkheden daarom nauwelijks. Daarbij erkent de raad dat het uitzicht vanuit de woningen en de tuinen zal veranderen door de komst van een aaneengesloten muur op of vlakbij de erfgrenzen, maar een dergelijk bebouwingsbeeld acht de raad passend in een stedelijke omgeving zoals hier in het centrum van Rheden.
Naar het oordeel van de Afdeling kon de raad zich hiermee op het standpunt stellen dat het voorziene laad- en losstation in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog van [appellant] en anderen geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de hier toegestane bouwhoogte van 4,5 m onaanvaardbaar is, ook omdat geen recht op een onbelemmerd uitzicht bestaat.
Het betoog faalt.
Verkeerssituatie
6. [appellant] en anderen betogen dat de verkeerssituatie onvoldoende is onderzocht. Volgens hen is er ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de verkeersafwikkeling en verkeerseffecten van de uitbreiding van de supermarkt en naar een geschikte plaats voor het laad- en losstation. Zij vrezen dat het laden en lossen in de nieuwe situatie grote nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid heeft. Daarbij wijzen zij erop dat de ingang in de nieuwe situatie dichter op de rijbaan zal zijn gesitueerd, waardoor vrachtwagens meer manoeuvres moeten maken op de rijbaan, wat zorgt voor hinder voor het overige verkeer. Daarnaast zal het overige verkeer volgens hen slecht zicht hebben op de manoeuvrerende vrachtwagens door de haakse bocht in de Oranjeweg en de korte afstand van het laad- en losstation tot de kruising van de Steenbakkersweg en Oranjeweg.
6.1. In de plantoelichting is berekend dat de maximaal te verwachten verkeerstoename 1.055 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Volgens de plantoelichting bedraagt de huidige verkeersintensiteit op de Oranjeweg tussen de 3.000 en 4.000 motorvoertuigen per etmaal en is een toename tot maximaal 5.055 motorvoertuigen goed op te vangen, omdat daarmee ruimschoots onder de maximale capaciteit van de Oranjeweg wordt gebleven. Gelet op deze berekening, die [appellant] en anderen niet betwisten, zijn er geen problemen met de verkeersafwikkeling te verwachten. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad nader onderzoek had moeten doen naar de verkeersafwikkeling en verkeerseffecten van de uitbreiding van de supermarkt.
Het betoog faalt in zoverre.
6.2. Over de situering van het laad- en losstation, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de ruimte voor het insteken van vrachtwagens in het laad- en losstation weliswaar beperkt is, maar dat de manoeuvre in één vloeiende beweging te maken is. Volgens de raad zijn er verder geen grote verkeersopstoppingen te verwachten, omdat het inparkeren van de vrachtwagens slechts enkele minuten duurt, het aantal vrachtwagens voor bevoorrading gelijk blijft - namelijk maximaal vier per dag - en de verkeersintensiteit op de Oranjeweg laag is met 3.000 tot 4.000 motorvoertuigen per etmaal. De raad betwist dat het verkeer slecht zicht zal hebben op de manoeuvrerende vrachtwagens en licht toe dat het laden en lossen in de nieuwe situatie verder van de haakse bocht in de Oranjeweg plaatsvindt, waardoor er vanaf die kant juist eerder zicht op een het laad- en losstation in- of uitdraaiende vrachtwagen is. Hoewel de kruising met de Steenbakkersweg wel kort op het laad- en losstation ligt, is er volgens de raad vanaf daar genoeg zicht op een in- en uitdraaiende vrachtwagen en genoeg tijd om snelheid te minderen en indien nodig even stil te staan.
Naar het oordeel van de Afdeling mocht de raad zich, gelet op de kenmerken van de Oranjeweg, op het standpunt stellen dat de mogelijke nadelige gevolgen van het nieuwe laad- en losstation niet zodanig groot zijn dat de voorziene plaats van het laad- en losstation niet geschikt is.
Het betoog faalt ook in zoverre.
Laad- en lostijden
7. [appellant] en anderen vreesden dat het laden en lossen buiten de periode van 07:00 tot 19:00 zou plaatsvinden. Op de zitting heeft Becedo toegelicht dat het laden en lossen nu binnen die periode plaatsvindt en dat zij niet voornemens is dat te veranderen. Daarbij heeft zij toegegeven het ook onwaarschijnlijk is dat zij buiten die periode zou kunnen laden en lossen, gezien de dan geldende strengere geluidsnormen. Vervolgens hebben [appellant] en anderen op de zitting te kennen gegeven dat hun vrees daarmee is weggenomen. Gelet daarop leest de Afdeling in de opmerking in hun beroepsschrift over de laad- en lostijden geen beroepsgrond die hoeft te worden besproken.
Behoefteonderzoek
8. [appellant] en anderen stellen dat het bestemmingsplan is vastgesteld op basis van een verouderd behoefteonderzoek uit 2020. Doordat het onderzoek in coronatijd is uitgevoerd en daarbij geen rekening is gehouden met het actuele aandeel internetbestedingen, is het onderzoek volgens hen gebaseerd op onjuiste aannames en uitgangspunten.
8.1. In het behoefteonderzoek van DTNP van 1 juli 2020 staat dat bij een beperkte uitbreiding tot 1.400 m2 winkelvloeroppervlak geen directe invloed op leegstand of verhuurbaarheid van commerciële ruimten in het centrum wordt verwacht. Er wordt juist van uitgegaan dat het dagelijks aanbod meer divers wordt en dat de aantrekkingskracht van het centrum iets verbetert. In het onderzoek wordt ervan uitgegaan dat de toename van het aandeel online aankopen en de afname van winkelbezoek vanwege de coronacrisis voornamelijk te zien zijn bij niet-dagelijkse artikelen en dat het effect op supermarktbezoek gering is. [appellant] en anderen hebben niet met concrete argumenten aannemelijk gemaakt dat het actuele aandeel internetbestedingen en de coronacrisis wel een zodanig groot effect hadden en hebben op het supermarktbezoek dat de conclusies uit het behoefteonderzoek achterhaald moeten worden geacht.
Het betoog faalt.
Herhalen en inlassen zienswijze en aanvullen beroepsgronden
9. [appellant] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
Het betoog faalt.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond.
11. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kors
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
687-1194