AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning voor antennemast in woongebied
Het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen verleende op 3 februari 2021 een omgevingsvergunning voor het vervangen van een antennemast op een perceel in Terheijden. De vergunning legaliseerde een reeds geplaatste mast van circa 21 meter hoog. Een omwonende, derde belanghebbende, maakte bezwaar tegen de vergunning vanwege hinder, mogelijke gezondheidsrisico's en strijdigheid met het bestemmingsplan en de goede ruimtelijke ordening.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit van het college, waarna het college een nieuw besluit nam dat het bezwaar ongegrond verklaarde. De derde belanghebbende stelde hiertegen beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht onder meer of de antennemast voldoet aan het Bouwbesluit 2012, of de vergunning in strijd is met de woonbestemming en de goede ruimtelijke ordening, en of artikel 10 EVRMPro (vrijheid van meningsuiting) aan vergunningverlening in de weg staat.
De Raad van State oordeelde dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de antennemast voldoet aan het Bouwbesluit 2012, mede op basis van een deskundig advies. Hoewel de mast in strijd is met de maximale bouwhoogte in het bestemmingsplan, is dit gecompenseerd door toepassing van een afwijkingsmogelijkheid in de Wabo. De ruimtelijke gevolgen zijn afgewogen en de mast wordt niet als onevenredige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit gezien. Geluidshinder en gezondheidsrisico's zijn onvoldoende onderbouwd om de vergunning te weigeren. Ook het beroep op gemeentelijk beleid en artikel 10 EVRMPro faalt. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de antennemast wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.
Uitspraak
202207504/1/R2.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Terheijden, gemeente Drimmelen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 november 2022 in zaak nr. 21/3557 en 21/3832 in het geding tussen:
[derde belanghebbende];
[appellant];
en
het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen.
Procesverloop
Bij besluit van 3 februari 2021 heeft het college aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van een antennemast op het perceel [locatie] te Terheijden (hierna: het perceel).
Bij besluit van 20 juli 2021 heeft het college het door [derde belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 november 2022 heeft de rechtbank de door [appellant] en [derde belanghebbende] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 20 juli 2021 vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bewaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 10 januari 2023 heeft het college het bezwaar van [derde belanghebbende] tegen het besluit van 3 februari 2021, onder aanpassing van de rechtsgrond en aanvulling van de motivering, opnieuw ongegrond verklaard.
[derde belanghebbende] heeft tegen dit nadere besluit beroepsgronden aangevoerd.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Bij brief van 19 januari 2023 heeft [appellant] zijn hoger beroep ingetrokken.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2025, waar [derde belanghebbende], bijgestaan door mr. D.A.R. Snelders en mr. E.C.J. Wouters, beiden advocaat te Breda, en het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen, vertegenwoordigd door mr. V. Hooghiemstra en A. Bil, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [appellant], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, als partij gehoord.
De Afdeling heeft besloten om met toepassing van artikel 8:68 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek te heropenen omdat het college tijdig nadere stukken had ingediend die [derde belanghebbende] niet had ontvangen. Vervolgens heeft de Afdeling die nadere stukken aan [derde belanghebbende] toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld om hierover een schriftelijke reactie uit te brengen. Tevens heeft de Afdeling aan het college gevraagd om bepaalde andere nadere stukken in te dienen en [derde belanghebbende], nadat het college deze stukken had ingediend, in de gelegenheid gesteld om hierover een schriftelijke reactie uit te brengen.
[derde belanghebbende] heeft een schriftelijke reactie ingediend over de aan hem toegezonden stukken.
De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
2. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Afbakening geschil
3. Bij besluit van 10 januari 2023 heeft het college het besluit van 20 juli 2021 vervangen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 gelezenPro in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
[derde belanghebbende] heeft tegen het besluit van 10 januari 2023 gronden aangevoerd. [appellant] heeft zijn hoger beroep ingetrokken. Het geschil is daarom beperkt tot de door [derde belanghebbende] ingediende gronden tegen het besluit van 10 januari 2023.
Inleiding
4. De vergunningaanvraag dient ter legalisering van de reeds geplaatste antennemast. Gelet op de bouwtekening heeft de aangevraagde antennemast - in uitgeschoven toestand - een hoogte van ongeveer 21 m. Daarbij is de antennedrager 18,1 m en de antenne 2,9 m.
Niet in geschil is dat de antennemast zich altijd in uitgeschoven toestand bevindt.
[derde belanghebbende] woont naast het perceel. Hij stelt vanaf het eerste moment dat er een antennemast op het perceel stond, hinder daarvan te hebben ondervonden. Deze hinder bestaat volgens [derde belanghebbende] uit storing op elektrische apparaten en visuele hinder. Daarnaast bestaat bij [derde belanghebbende] de vrees dat de antennemast vanwege een gebrekkige fundering omvalt en dat bij gebruik van de antennemast straling vrijkomt die slecht is voor zijn gezondheid.
Voorgeschiedenis
5. Bij besluit van 30 augustus 2006 heeft [appellant] een vergunning gekregen voor het plaatsen van een antennemast met een breedte van 0,61 m en een hoogte van 21 m in uitgeschoven toestand op het perceel aan de [locatie] in Terheijden. Hij heeft deze antennemast vervolgens geplaatst. In maart 2019 is deze antennemast door een storm zo beschadigd geraakt dat hij onbruikbaar is geworden. In juli 2020 heeft [appellant] een vervangende antennemast laten plaatsen. Op 4 december 2020 heeft [appellant] een vergunning voor het vervangen van de verloren gegane antennemast aangevraagd met wederom een hoogte van 21 m in uitgeschoven toestand en een breedte van 0,99 m. Bij besluit van 3 februari 2021 heeft het college deze vergunning verleend. Bij besluit op bezwaar van 20 juli 2021 heeft het college naar aanleiding van het bezwaar van [derde belanghebbende], besloten om de vergunning in stand te laten met de voorwaarde dat de constructie zo moet worden aangepast dat hij niet hoger dan 15 m kan worden uitgeschoven.
In beroep heeft de rechtbank geoordeeld dat het college hiermee wezenlijk is afgeweken van de aanvraag, zonder dat die aanvraag daar een aanknopingspunt voor bood. Volgens de rechtbank is in het stelsel van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) geen plaats voor een beslissing omtrent een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. De rechtbank heeft daarom het besluit op bezwaar van 20 juli 2021 vernietigd. De uitspraak van de rechtbank is inmiddels onherroepelijk.
Het college heeft op 10 januari 2023 een nieuw besluit op het door [derde belanghebbende] gemaakte bezwaar genomen waarbij al zijn bezwaren ongegrond zijn verklaard. Dat besluit staat in deze procedure ter beoordeling.
Beroepsgronden
Voldoet de aanvraag aan het Bouwbesluit 2012?
6. [derde belanghebbende] betoogt dat het college zich er onvoldoende van heeft vergewist dat de antennemast voldoet aan het Bouwbesluit 2012.
[derde belanghebbende] voert daartoe aan dat bij de aanvraag om omgevingsvergunning geen constructieberekeningen zijn overgelegd. Volgens [derde belanghebbende] is de voorheen bestaande fundering vergroot en gaat het college er daarom ten onrechte vanuit dat bij het plaatsen van de aangevraagde antennemast gebruik is gemaakt van de hiervoor bestaande fundering.
Volgens [derde belanghebbende] is een grondige kwaliteitscontrole van het betonwerk van belang omdat het storten van nieuw op oud beton meestal tot scheurvorming leidt. Daarbij wijst [derde belanghebbende] erop dat de draadeinden waarmee de nieuwe zendmast is bevestigd in één betonstort, in de betonfundering dienen te zijn opgenomen. Volgens [derde belanghebbende] zijn de draadeinden waar nu de nieuwe zendmast is bevestigd, op het oude betonblok geplaatst waarna het nieuwe beton is gestort. Volgens [derde belanghebbende] is er daarom van één betonfundering geen sprake.
Verder wijst [derde belanghebbende] erop dat het grondvlak van de zendmast 40 cm breder is geworden ten opzichte van de oude mast. Volgens [derde belanghebbende] veroorzaakt een bredere mast een hogere windbelasting op de betonfundering. Het is volgens [derde belanghebbende] eens te meer van belang dat de berekeningen kloppen omdat de oude mast in 2019 is omgevallen.
6.1. Het college heeft de onderbouwing van zijn standpunt dat de antennemast voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten en daarmee voldoet aan artikel 2.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, gebaseerd op een daartoe opgesteld advies van de gemeentelijke toezichthouder Bouwen en Brandveiligheid. Deze toezichthouder heeft de constructieberekeningen van dit type antennemast en de situatie ter plaatse beoordeeld en is op grond daarvan van mening dat de antennemast voldoende is bestand tegen de daarop werkende krachten als hiervoor bedoeld. Daarbij heeft hij van belang geacht dat naast de voorheen bestaande fundering waarbij 9 m³ beton is gestort met vier funderingsstaven van 8 mm en vier draadeinden van 24 mm van 1 m lengte, er in 2020 daarbij nog 12 chemische ankers van 20 mm met een lengte van 1 m zijn geplaatst. Verder heeft hij van belang geacht dat bovenop de bestaande fundering een betonnen sokkel is gestort van ongeveer 20 cm hoogte en dat alle 16 ankers van de fundering zijn bevestigd aan de geïntegreerde kantelbok van de nieuwe antennedrager.
Voorts heeft hij van belang geacht dat de antennedrager met behulp van 9 bouten met een diameter van 20 mm zijn bevestigd aan de geïntegreerde kantelbok, die nu deel uitmaakt van de nieuwe antennedrager.
Volgens het college heeft [appellant] deze chemische ankers laten plaatsen door een gerenommeerd bedrijf dat ook dergelijke werkzaamheden uitvoert voor telecommasten van mobiele-telecomoperators.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met het advies van de gemeentelijk toezichthouder aannemelijk gemaakt dat de antennemast voldoet aan het Bouwbesluit 2012. [derde belanghebbende] betoogt tevergeefs dat het college zich er onvoldoende van heeft vergewist dat de antennemast voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Daarbij betrekt de Afdeling dat niet in geschil is dat de toezichthouder die de situatie ter plaatse heeft beoordeeld ter zake deskundig is en dat [derde belanghebbende] onvoldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies naar voren heeft gebracht.
Het betoog faalt.
Is de aanvraag in strijd met de geldende woonbestemming?
7. [derde belanghebbende] betoogt verder dat het college niet heeft onderkend dat de aanvraag in strijd is met de ter plekke geldende woonbestemming.
Hij voert daartoe aan dat [appellant] gedurende de hele dag via radiogolven informatie verzendt en ontvangt met zijn 21 m hoge antennemast. Volgens [derde belanghebbende] is de aard, omvang en intensiteit van dit gebruik niet verenigbaar met de woonbestemming.
7.1. Ingevolge het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Wonen". Niet in geschil is dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. Deze strijdigheid heeft volgens het college betrekking op de maximale bouwhoogte van 4 m als bedoeld in artikel 22.2.4 van de planregels. Het college heeft zich tegelijkertijd in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het gebruik van de antennemast passend is binnen de woonbestemming.
Ten aanzien van het betoog dat de aanvraag in strijd is met de geldende woonbestemming overweegt de Afdeling als volgt.
7.2. Niet in geschil is dat de hoogte van de aangevraagde antennemast in strijd met artikel 22.2.4 van de planregels. Dit betekent dat de antennemast waarop de aanvraag ziet, te hoog is om in de woonbestemming te passen. Het college heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat het gebruik van de antennemast passend is binnen de woonbestemming. Dit kan naar het oordeel van de Afdeling echter niet leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit, omdat het college vanwege deze strijdigheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 5, van Bijlage II behorend bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Gelet daarop is naar het oordeel van de Afdeling niet zozeer relevant of de aanvraag in strijd is met de woonbestemming, maar wel of de aanvraag in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Deze vraag wordt hieronder beantwoord.
Is de aanvraag in strijd met een goede ruimtelijke ordening?
8. [derde belanghebbende] betoogt dat het college niet heeft onderkend dat de aanvraag in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Hij voert daartoe aan dat de antennemast de ruimtelijke kwaliteit onevenredig aantast, gezien de hoogte en het gebruikte materiaal.
[derde belanghebbende] vindt hierbij steun in de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3211). Volgens [derde belanghebbende] had het college onafhankelijk onderzoek moeten laten verrichten naar de ruimtelijke gevolgen van de antennemast voor de omgeving
Verder voert [derde belanghebbende] aan dat de antennemast al bij geringe wind een fluitend geluid maakt dat hem hindert. Hij verwijst hierbij naar door hem gemaakte digitale opnames. Ten aanzien van het door het college uitgevoerde onderzoek naar deze geluidhinder, heeft [derde belanghebbende] naar voren gebracht dat dit onzorgvuldig is omdat hem daarbij niet om een toelichting is verzocht. Ook is dit onderzoek volgens [derde belanghebbende] dermate laat in het geding gebracht dat hij niet genoeg tijd had om een eigen onderzoek te laten doen. Verder betreft het slechts een eenmalig meting onder specifieke weersomstandigheden. Volgens [derde belanghebbende] dient een objectieve meting echter plaats te vinden op verschillende tijdstippen, verschillende data en onder wisselende weersomstandigheden. Het onderzoek maakt daarbij volgens [derde belanghebbende] niet duidelijk of de zendmast tijdens deze meting in gebruik was, hoe hoog de zendmast was uitgeschoven en in welke richting ze stond. Voorts kan de geluidsoverlast van de zendmast volgens [derde belanghebbende] niet worden gebagatelliseerd onder verwijzing naar het achtergrondgeluid van de nabijgelegen snelweg. Volgens [derde belanghebbende] gaat het bij de snelweg niet om een constant geluid, maar om een geluid dat alleen is te horen bij een bepaalde windrichting. Ook het geluid van de zwermen vogels die zitten op de sprieten van de mast doet volgens [derde belanghebbende] aan de geluidoverlast niet af.
Voorts voert [derde belanghebbende] aan dat uit berichtgeving van het Kennisplatform ElektroMagnetische Velden blijkt dat mensen gezondheidsklachten kunnen ervaren als zij in de buurt komen van bronnen die elektromagnetische velden produceren zoals antennemasten. [derde belanghebbende] wijst er daarbij op dat zijn perceel op slechts 13 m afstand ligt van de voet van de antennemast en dat de sprieten van de mast zelfs bijna reiken tot de perceelsgrens. Volgens [derde belanghebbende] gaat het college er zonder nadere onderbouwing vanuit dat de antennemast 98% van de tijd alleen ontvangt en slechts 2% van de tijd daadwerkelijke uitzendt en dat alleen op die momenten zich een elektromagnetisch veld voordoet.
Voorts voert [derde belanghebbende] aan dat de antennemast storing op zijn apparatuur veroorzaakt. Volgens [derde belanghebbende] zou een belangenafweging tenminste moeten leiden tot een beperking in tijd voor de uitgeschoven toestand. Verder is het volgens [derde belanghebbende] onbegrijpelijk dat het college vindt dat de antennemast past in een goede ruimtelijke ordening, terwijl het zich nog tot november 2022 op het tegenovergestelde standpunt had gesteld.
8.1. De Afdeling stelt vast dat de aanvraag volgens de Welstandsnota 2015 van de gemeente Drimmelen betrekking heeft op een welstandsvrij gebied. Dat neemt niet weg dat het college de ruimtelijke gevolgen van de antennemast voor de omgeving moet afwegen, waaronder de aanvaardbaarheid van een inbreuk op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de antennemast de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig aantast.
Daarbij betrekt de Afdeling dat sinds 2006 tot 2019 op dezelfde plek een antennemast heeft gestaan met volgens de bij de bouwvergunning behorende en gewaarmerkte bouwtekeningen dezelfde hoogte in uitgeschoven toestand, namelijk ongeveer 21 m. Verder staat de antennemast in de lintbebouwing aan de rand van het dorp Terheijden, waar weinig huizen staan, maar ook niet midden in het open landschap.
De woning van [appellant] staat tussen de mast en het openbaar toegankelijk gebied waardoor de mast in dat gebied slechts beperkt zichtbaar is. Daarbij is ook van belang dat de mast een metalen doorzichtige constructie heeft waardoor deze niet of nauwelijks zon wegneemt in de tuin van omwonenden zoals [derde belanghebbende]. Vanwege bovenstaande omstandigheden, met name dat de antennemast niet gesitueerd is in een woonwijk en dat er van 2006 tot en met 2019 op dezelfde locatie een even hoge mast heeft gestaan, wijkt de situatie zodanig af van die in de uitspraak waar [derde belanghebbende] naar verwezen heeft van 3 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3211), dat deze verwijzing hem niet kan baten. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen grond worden gevonden worden voor het oordeel dat het college onafhankelijk onderzoek had moeten laten verrichten naar de ruimtelijke gevolgen van de antennemast voor de omgeving.
8.2. Ten aanzien van het betoog van [derde belanghebbende] dat de antennemast al bij geringe wind een fluitend geluid maakt dat hem hindert, wordt het volgende overwogen.
Niet in geschil is dat toezichthouders van de gemeenste meerdere malen op het perceel zijn geweest. Zij hebben toen naar eigen zeggen geen geluid afkomstig van de mast waargenomen.
Ook hebben ambtenaren van de gemeente op 15 mei 2025 om 14.00 uur bij windkracht 3 ter plaatse van de antennemast een geluidsmeting verricht. Uit deze meting blijkt dat er geen wind- of installatiegeluid van de antenne hoorbaar is. Volgens de ambtenaren is gezien de constructie ook bij een sterke wind geen windgeluid te verwachten boven het continu aanwezige omgevingsgeluid van het verkeer op de Rijksweg A59 en het incidentele verkeersgeluid van de Molenstraat. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat het door [derde belanghebbende] bedoelde fluitende geluid niet zodanig is dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen.
[derde belanghebbende] betoogt tevergeefs dat hij geen toelichting heeft mogen geven op de door het college uitgevoerde meting. Naar het oordeel van de Afdeling is [derde belanghebbende] in deze hoger beroepsprocedure voldoende in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door het college uitgevoerde geluidsmeting. Verder betoogt [derde belanghebbende] tevergeefs dat onduidelijk is of de geluidsmeting is verricht bij de antennemast in ingeklapte of in uitgeschoven positie, omdat niet in geschil is dat de antennemast zich altijd in uitgeschoven positie bevindt.
Voorts betoogt [derde belanghebbende] tevergeefs dat zo’n geluidsmeting dient plaats te vinden op verschillende tijdstippen, verschillende data en onder wisselende weersomstandigheden en dat onduidelijk is of de zendmast tijdens deze meting in gebruik was en in welke richting ze stond. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college uit het betoog van [derde belanghebbende] niet kunnen afleiden dat het fluitend geluid alleen onder specifieke omstandigheden te horen is.
Eerst na heropening van het onderzoek heeft [derde belanghebbende] in een schriftelijke uiteenzetting als reactie op de door het college uitgevoerde meting dit naar voren gebracht. Aangezien [derde belanghebbende] in hoger beroep heeft betoogd dat hij bij geringe wind al overlast ondervindt van een fluitend geluid, heeft het college kunnen volstaan met de door hem verrichte geluidsmeting.
8.3. Ten aanzien van het betoog van [derde belanghebbende] dat uit berichtgeving van het Kennisplatform ElektroMagnetische Velden blijkt dat mensen gezondheidsklachten kunnen ervaren als zij in de buurt komen van bronnen die elektromagnetische velden produceren zoals antennemasten, wordt het volgende overwogen.
De Afdeling stelt voorop dat gesteld noch gebleken is dat [derde belanghebbende] last heeft van deze gezondheidsklachten, ondanks dat sinds 2006 op dezelfde locatie als de vergunde antennemast een andere antennemast van ongeveer dezelfde afmetingen heeft gestaan.
Verder heeft het college naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de antennemast om te zenden redelijkerwijs geen gezondheidsklachten bij [derde belanghebbende] kan veroorzaken.
Het college heeft daartoe naar voren gebracht dat het vermogen van de zendamateurinstallatie ruim ligt onder de grenswaarde van 4 kilowatt en daarmee zodanig laag is dat op basis daarvan geen omgevingsvergunning milieu of toetsing vereist is. Tevens heeft het college naar voren gebracht dat om ervoor te zorgen dat mensen geen negatieve effecten ondervinden van de straling van antennes in Nederland de door de EU aanbevolen norm, de zogenoemde ICNIRP-blootstellingslimieten gelden. Volgens het college moet de optelsom van alle elektromagnetische straling onder deze limieten blijven. Toezichthouder Agentschap Telecom meet de elektromagnetische veldsterktes steekproefsgewijs door heel Nederland. Volgens het college ligt de gemeten veldsterkte van antennes ongeveer een factor 10 onder de strengste blootstellingslimiet van 28 volt per meter.
8.4. Tot slot heeft [derde belanghebbende] onvoldoende onderbouwd dat de antennemast storing veroorzaakt op zijn apparatuur. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de zendapparatuur van [appellant] moet voldoen aan de Europese richtlijn RED 2014/53/EU. Voordat een zendamateur mag zenden moet hij volgens het college voorts slagen voor een examen en zijn frequentiegebruik registreren bij Agentschap Telecom. Als een zendamateur storing veroorzaakt, staat er volgens het college in de gedragsregels voor zendamateurs van Agentschap Telecom dat van hem wordt verwacht dat hij meewerkt aan het oplossen hiervan.
8.5. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat de aanvraag niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. [derde belanghebbende] betoogt tevergeefs dat [appellant] ter zitting bij de rechtbank heeft bevestigd dat hij zich goed kan behelpen met een lagere antennemast. Volgens de aangevallen uitspraak was [appellant] bereid om de aanvraag aan te passen als zou blijken dat de aan hem verleende omgevingsvergunning niet in stand zou blijven. Hieruit blijkt naar het oordeel van de Afdeling niet dat ook kan worden volstaan met een lagere antennemast, maar wel dat [appellant] liever een lagere antennemast heeft dan helemaal geen antennemast.
Verder betoogt [derde belanghebbende] tevergeefs dat het college nog tot november 2022 van mening was dat de aanvraag in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. Dit al omdat het college eerst bij besluit van 10 januari 2023 hierover een gemotiveerd standpunt heeft ingenomen en dit standpunt gezien hetgeen is overwogen in 8.1 tot en met 8.4 deugdelijk is gemotiveerd.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat niet wordt toegekomen aan het verzoek van [derde belanghebbende] om slechts een beperkte tijdsduur toe te staan dat de antennemast in uitgeschoven positie staat.
Staat artikel 10 vanPro het EVRM aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg?
9. [derde belanghebbende] betoogt voorts dat het college heeft miskend dat weigering van de gevraagde omgevingsvergunning niet zou leiden tot een inmenging van artikel 10, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en dat het college heeft miskend dat het belang dat [appellant] heeft bij de uitoefening van zijn recht op vrijheid van meningsuiting als neergelegd in artikel 10 vanPro het EVRM, niet zwaarder weegt dan het belang dat [derde belanghebbende] heeft bij minder geluidhinder, gezondheidsschade en een mooi straatbeeld.
9.1. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend en de antennemast mag dan ook worden gebouwd. Het besluit is daarom geen inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in artikel 10 EVRMPro. Het antwoord op de vraag of het college op grond van artikel 10 EVRMPro had mogen weigeren om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, maakt dat naar het oordeel van de Afdeling niet anders. Artikel 10 EVRMPro staat dan ook niet aan vergunningverlening in de weg. Het betoog slaagt daarom niet.
Is de aanvraag in strijd met gemeentelijk beleid?
10. Verder betoogt [derde belanghebbende] dat het college niet heeft onderkend dat de beoogde antennemast in strijd is met het gemeentelijke beleid als neergelegd in het "Besluit Beleidsregels artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht" (hierna: de beleidsregel).
[derde belanghebbende] voert daartoe aan dat volgens artikel 6 uitsluitendPro antennemasten mogen worden opgericht lager dan 20 m en dat volgens artikel 7 buitenPro de bebouwde kom uitsluitend antennemasten mogen worden opgericht voor zover deze masten zijn gelegen direct naast de A59 en de A16 en deze dienen voor de telecommunicatie.
10.1. Volgens de beleidsregel worden er in artikel 1 totPro en met 7 specifieke gevallen vermeld waarin een afwijkingsvergunning wordt verleend. Naar het oordeel van de Afdeling hebben deze artikelen geen betrekking op de aanvraag die thans ter beoordeling voorligt. Zo hebben artikel 6 enPro 7, waar [derde belanghebbende] zich op beroept, uitsluitend betrekking op bouwplannen voor antenne-installaties voor mobiele telefooncommunicatie.
Uit de redactie en de considerans van de beleidsregel blijkt dat andere gevallen, zoals de aanvraag die thans ter beoordeling voorligt, per geval zullen worden beoordeeld. Zoals hiervoor is overwogen in 8.5 heeft het college voor de aanvraag een belangenafweging gemaakt die voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Hiermee heeft het college naar het oordeel van de Afdeling niet gehandeld in strijd met de beleidsregel.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep van [derde belanghebbende] is ongegrond.
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.