202407666/1/A2.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 november 2024 in zaak nr. 23/8607 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juni 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellant] om overname van zijn schuld bij de ING Bank afgewezen.
Bij besluit van 16 november 2023 heeft de minister, als rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 december 2025, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door V.N. Giang en mr. E.C.I. Ramlal, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage.
Inleiding
3. [appellant] heeft in 2008 een hypothecaire lening bij Postbank N.V. (thans ING Bank) afgesloten voor de aankoop van een woning. De woning heeft hij in 2016 verkocht. Na verkoop van de woning is een schuld bij de ING Bank overgebleven.
4. [appellant] is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om overname van een restschuld op de hypotheek van € 31.186,76 bij de ING Bank. Deze schuld is overgenomen. Daarnaast heeft hij verzocht om overname van een schuld van € 5.706,53, zijnde een schuld uit een door [appellant] bij de ING Bank afgesloten voordeelkrediet. Deze schuld is niet door de Belastingdienst/Toeslagen overgenomen. In geschil is of de minister de schuld van € 5.706,53 moet overnemen.
Besluitvorming
5. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de schuld uit het voordeelkrediet bij de ING Bank een financieel product is van een bank. Daarvan worden alleen de betalingsachterstanden die dateren van vóór 1 juni 2021 overgenomen, of de hoofdsom, als deze door betalingsachterstanden opeisbaar is geworden. Uit het contact tussen de Sociale Banken Nederland en de ING Bank blijkt dat [appellant] zowel met betrekking tot de roodstandfaciliteit, als de kredietlening geen opeisbare betaalachterstanden heeft die dateren van vóór 1 juni 2021.
Uitspraak van de rechtbank
6. De rechtbank heeft geoordeeld dat, ondanks de samenhang tussen het ontstaan van de kredietschuld en de hypotheekschuld, beide schulden afzonderlijk moeten worden beoordeeld aan de vereisten voor overname, gesteld in de Wht. Op basis van de informatie van de ING Bank heeft de minister vastgesteld dat er vóór 1 juni 2021 geen opeisbare betalingsachterstanden op de kredietlening waren. Ook was de hoofdsom niet opeisbaar voor die datum. De schuld voldoet dus niet aan de vereisten, gesteld in artikel 4.1 vierde lid, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.
7. De rechtbank is verder tot het oordeel gekomen dat de minister de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen. Het komt vaker voor dat er een verband bestaat tussen het ontstaan van twee schulden. Het verband tussen de restschuld en de kredietschuld is dus geen bijzondere omstandigheid. Verder zijn de financiële problemen die samenhangen met de terugvordering van de kinderopvangtoeslag, ook na overname van de hypotheekschuld, niet zodanig schrijnend, dat daarom toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule. De wetgever heeft de door [appellant] naar voren gebrachte omstandigheden bij het opstellen van de Wht reeds onder ogen gezien, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
8. [appellant] betoogt dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule. Door de terugvordering van de kinderopvangtoeslagen is hij in de financiële problemen gekomen, waardoor hij een voordeelkrediet bij de ING Bank heeft moeten afsluiten. Uiteindelijk heeft hij ook zijn huis moeten verkopen. [appellant] stelt dat hij ondanks de financiële problemen is blijven voldoen aan zijn betalingsverplichtingen voortvloeiend uit het voordeelkrediet, omdat anders de hele hoofdsom van de schuld kon worden opgeëist, wat zou leiden tot nog meer financiële stress. Had hij niet voldaan aan zijn betalingsverplichtingen, dan zou de hoofdsom van het voordeelkrediet wel opeisbaar zijn gesteld en voor overname in aanmerking komen. Het is dus onbillijk dat hem de opeisbaarheid van die schuld wordt tegengeworpen, aldus [appellant].
8.1. In artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht is een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
8.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de wettelijke bepaling, gelet op de ratio ervan, onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden, waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien, is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzondere of schrijnende situatie in zijn of haar geval uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen. 8.3. De Afdeling is van oordeel dat de minister geen toepassing hoefde te geven aan de hardheidsclausule. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval de gebruikelijke toepassing van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht, gelet op de ratio daarvan, tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt. Voorop staat dat [appellant] op de zitting bij de Afdeling heeft verklaard dat het voordeelkrediet bij de ING Bank niet in verband staat met de restschuld van de hypothecaire lening na verkoop van zijn woning. De schuld uit het voordeelkrediet moet dus als zelfstandige schuld worden beoordeeld. Hoewel het bewonderenswaardig is dat [appellant], ondanks de beperkte financiële ruimte, de schuld aan de ING Bank is blijven afbetalen, is de omstandigheid dat de schuld daardoor niet opeisbaar is geworden geen onbillijkheid van overwegende aard. De wetgever heeft uitdrukkelijk beoogd alleen de schulden die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren over te nemen. Daarbij komt dat het veel voorkomt dat gedupeerden schulden zijn blijven afbetalen die, indien niet zou worden afbetaald, opeisbaar waren geworden en voor overname in aanmerking zouden komen. Verder heeft [appellant] ook niet onderbouwd dat er sprake is van schrijnende omstandigheden, waardoor toepassing van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht achterwege moet blijven. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
[…].
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
[…].
4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:
[…].
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
[…].
Artikel 9.1. Hardheidsclausule
1. De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 2.15b, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;
[…].