ECLI:NL:RVS:2026:920

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
202405247/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Parkeerverordening 2013Art. 46 Parkeerverordening 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bewonersparkeervergunning wegens vergunningenplafond in Amsterdam

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag van appellant om een bewonersparkeervergunning af omdat het vergunningenplafond in het deelgebied Nieuw-West-6f op nul was gesteld. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten, stellende dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat bewoners van andere locaties wel vergunningen kregen.

De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van gelijke gevallen, omdat vergunningen aan bewoners van sommige locaties abusievelijk waren verleend en later waren ingetrokken, en dat een andere bewoner voldeed aan het buitenwettelijk begunstigend beleid vanwege het bezit van een auto bij verhuizing. Het beroep op de hardheidsclausule werd eveneens afgewezen.

In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze beoordeling. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat appellant niet aannemelijk maakte dat bewoners van andere locaties daadwerkelijk opnieuw vergunningen hadden gekregen. Ook het argument dat appellant ongelijk werd behandeld ten opzichte van een andere herhuisvester die wel een vergunning kreeg, werd verworpen omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van het begunstigend beleid.

De Afdeling concludeerde dat appellant een nieuwe aanvraag kan indienen en eventueel een beroep kan doen op de hardheidsclausule, maar dat het huidige hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de parkeervergunning wordt bevestigd.

Uitspraak

202405247/1/A3.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2024 in zaak nr. 23/1700 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2022 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een bewonersparkeervergunning afgewezen.
Bij besluit van 6 februari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Akkas, advocaat in Amsterdam, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] woont aan de [locatie 1] in Amsterdam. Hij heeft bij het college een bewonersparkeervergunning aangevraagd. Die aanvraag heeft het college op grond van artikel 32, vierde lid, van de Parkeerverordening 2013 afgewezen. Het college geeft daarvoor als reden dat [appellant] in deelvergunninggebied "Nieuw-West-6f" woont en in dit gebied is het vergunningenplafond op nul gesteld. [appellant] heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar ongegrond verklaard. Vervolgens heeft [appellant] daartegen beroep ingesteld. Volgens [appellant] is er sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat het college aan de bewoners van [locatie 2, 3 en 4] wel bewonersparkeervergunningen heeft verleend.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. De bewoners van [locatie 2 en 3] hebben namelijk geen bewonersparkeervergunningen meer. Deze vergunningen waren abusievelijk verleend en zijn na een rechtmatigheidscontrole door het college ingetrokken. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het geval van de bewoner van [locatie 4] ook geen gelijk geval is omdat die bewoner, anders dan [appellant], voldeed aan de voorwaarde van het buitenwettelijk begunstigend beleid. Die bewoner was namelijk, anders dan [appellant], ten tijde van zijn verhuizing in het bezit van een auto. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van het buitenwettelijk begunstigend beleid het college daarom in dat geval, in afwijking van de dwingende bepaling in artikel 32, vierde lid, van de Parkeerverordening 2013, een bewonersparkeervergunning kon verlenen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van [appellant] op toepassing van de hardheidsclausule vanwege zijn specifieke omstandigheden niet slaagt.
Juridisch kader
3.       Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
4.       In geschil is of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Volgens [appellant] dient zijn beroep daarop juist te slagen, omdat de bewoners aan [locatie 3] opnieuw een parkeervergunning hebben gekregen.
5.1.    Bij de beoordeling van de beroepsgronden wordt uitgegaan van de feiten en omstandigheden zoals die waren ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar. In het besluit op bezwaar staat dat de parkeervergunning aan de bewoners van [locatie 3] door het college was ingetrokken. Van dat feit is de rechtbank in haar uitspraak uitgegaan en [appellant] bestrijdt dat feit niet in hoger beroep. Het betoog van [appellant] eerst in hoger beroep dat hij heeft vernomen dat aan de bewoners van [locatie 3] opnieuw een parkeervergunning is verleend en dat daarmee sprake zou zijn van gelijke gevallen, heeft hij niet onderbouwd. [appellant] heeft namelijk ter zitting alleen verklaard dat aan de bewoners van [locatie 3] opnieuw een parkeervergunning is verleend en dat hij de details daarvan niet weet. Een en ander laat overigens onverlet dat [appellant] een nieuwe aanvraag om een bewonersparkeervergunning bij het college kan indienen, waarbij hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een beroep kan doen op de hardheidsclausule.
Het betoog slaagt niet.
6.       [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij ten onrechte ongelijk wordt behandeld ten opzichte van de bewoner van [locatie 4]. Hij is net zoals die bewoner een herhuisvester. De omstandigheid dat hij, anders dan die bewoner, ten tijde van de verhuizing niet in het bezit van een auto was, doet daar niet aan af.
6.1.    Wat [appellant] hierover in hoger beroep heeft aangevoerd is zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd die grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
844
BIJLAGE
Juridisch kader
Parkeerverordening 2013
Artikel 32 Weigeringsgronden Pro
1. Een vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij of krachtens deze verordening.
[…]
4. Een bewonersvergunning, een overloopvergunning, een bedrijfsvergunning en een volkstuinvergunning wordt tevens geweigerd indien het vergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt.
[…]
Artikel 46 Overgangsbepalingen Pro
[…]
8. Een bewonersvergunning en een milieuparkeervergunning voor bewoners wordt niet geweigerd wegens het bereiken van het vergunningenplafond als bedoeld in artikel 32, vierde, vijfde en zevende lid wegens het bereiken van het vergunningenplafond, indien:
a. de aanvrager een herhuisvester is,
[…]