ECLI:NL:RVS:2026:986
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 16 december 2025 niet in behandeling genomen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 10 februari 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij de Raad van State en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld. Verzoeker wilde voorkomen dat hij zou worden overgedragen aan Kroatië voordat op het hoger beroep was beslist en vroeg om opvang en verstrekkingen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen, omdat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek volgens de Dublinverordening bij Kroatië ligt.
De overdracht aan Kroatië leidt niet tot onomkeerbare gevolgen, aangezien verzoeker in geval van een definitieve beslissing dat Nederland verantwoordelijk is, vanuit Kroatië kan worden teruggeleid. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 24 februari 2026 door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Kroatië en het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is afgewezen.