ECLI:NL:RVS:2026:993

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.001390
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

Betrokkene diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 16 augustus 2023 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing maakte betrokkene bezwaar, dat op 11 oktober 2024 ongegrond werd verklaard door de minister. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 1 september 2025 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat die beantwoord moeten worden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De rechtbank had een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek vastgesteld dat eenvoudig te herstellen is.

De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens werd een griffierecht van € 579,00 opgelegd aan de minister.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de vernietiging van de afwijzing van de verblijfsvergunning en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.

Uitspraak

BRS.25.001390
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 1 september 2025 in zaak nr. NL24.43762 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 11 oktober 2024 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J. van Putten, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.        De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig laat herstellen.
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.        bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
985