ECLI:NL:RVS:2026:993
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Betrokkene diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 16 augustus 2023 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing maakte betrokkene bezwaar, dat op 11 oktober 2024 ongegrond werd verklaard door de minister. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 1 september 2025 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leidt, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat die beantwoord moeten worden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De rechtbank had een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek vastgesteld dat eenvoudig te herstellen is.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens werd een griffierecht van € 579,00 opgelegd aan de minister.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de vernietiging van de afwijzing van de verblijfsvergunning en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.