Uit een en ander trekt het College de conclusie dat bij de beoordeling of sprake is van
ethische bezwaren mag worden ingelezen: doorslaggevende bezwaren. Te dien aanzien
wordt voorts overwogen dat reeds de invoering van ethische bezwaren als toetsings-
criterium, de mogelijkheid van een weging van die bezwaren lijkt te impliceren. Het ligt in
de rede bij die weging het doel van de biotechnologische handelingen waarvoor de
vergunning wordt gevraagd, te betrekken. Hiervan is ook uitgegaan in het uit 1996
daterende rapport van externe deskundigen, dat blijkens het verhandelde ter zitting mede
als richtsnoer voor de beoordeling van de aanvragen heeft gediend.
Gezien het vorenstaande heeft de Commissie terecht de toetsing van de aanvraag doen
plaatsvinden aan de hand van het gestelde in de Nota van toelichting bij het Besluit, zoals
dat hiervoor is weergegeven. Ten aanzien van de vraag of de uitkomst van de toetsing
rechtens aanvaardbaar is overweegt het College als volgt.
Bij afweging van de in geding zijnde ethische bezwaren tegen het belang dat gelegen is in
het kunnen verrichten van het onderzoek heeft verweerder, gelet op het aanzienlijke belang
voor de volksgezondheid dat bij dit onderzoek is betrokken, aan laatstvermeld belang in
redelijkheid doorslaggevende betekenis kunnen toekennen.
Het College deelt niet het standpunt van appellanten dat verweerder het advies van de
minderheid van de Commissie had moeten volgen op de grond dat, naar stelling van
appellante, blijkens onderzoek 60% van de Nederlandse bevolking desgevraagd de zijde
van die minderheid zou kiezen. Aan het advies van de Commissie komt in de
besluitvorming rond biotechnologische handelingen een groot gewicht toe. Indien
verweerder zou besluiten de opvatting van de meerderheid van die Commissie naast zich
neer te leggen zou hij daarvoor sterkere argumenten moeten hanteren dan de notie dat
enquˆtes een andere uitkomst hebben gegeven. Gegevens die zonneklaar doen zijn dat het
meerderheidsadvies niet behoorde te worden gevolgd, zijn evenwel, zoals ook uit het
vorenstaande blijkt, door appellanten niet aangedragen.
Met betrekking tot de vraag of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft
gesteld dat de aanvragen betrekking hebben op "toetsbare eenheden" merkt het College op
dat beoordeling van die vraag door de Commissie heeft plaatsgevonden aan de hand van de
in de Nota van toelichting bij het Besluit neergelegde grenzen. In zijn nader advies van
1 april 1999 heeft de commissie het NKI verzocht de oorspronkelijke aanvragen verder te
splitsen, aan welk verzoek gevolg is gegeven. Het College is na kennisneming van de
argumenten van appellanten niet tot de overtuiging kunnen komen, dat de opvatting van de
Commissie dat de hogerbedoelde grenzen - die ook naar het oordeel van het College
aanvaardbaar zijn - niet zijn overschreden, onjuist is.
Met betrekking tot de stelling van appellanten dat in de vergunning een voorschrift had
moeten zijn opgenomen met betrekking tot het extra voorleggen aan de dier-
experimentencommissie van gevallen van ongerief, overweegt het College dat verweerder
daarvan terecht heeft afgezien. Nu de Wet op de dierproeven, die - zoals hiervoor is
aangegeven - voor biotechnologische handelingen onverkort van toepassing is naast de
Gwwd, de toetsing van de betrokken handelingen door de dierexperimentencommissie
uitdrukkelijk voorschrijft, is het opnemen van een voorwaarde van voormelde strekking
ook naar het oordeel van het College overbodig.
Appellanten hebben het College niet tot de overtuiging kunnen brengen dat voor het
voorgestelde project re‰le alternatieven voorhanden zijn. Juist de effecten van de
genetische modificatie zijn van betekenis voor de inzichten die men beoogt te verwerven.
Deze kunnen naar hun aard niet op andere wijze verworven worden. Het College deelt niet
de opvatting van appellanten dat daarmede het "nee, tenzij" beleid, dat met betrekking tot
biotechnologische handelingen is neergelegd in artikel 66, derde lid, van de Gwwd, is
verworden tot een "ja, mits"- beleid, aangezien gelet op het hogeroverwogene, ook voor de
vraag of re‰le alternatieven voorhanden zijn, de aard en het belang van het onderzoek in de
beoordeling behoren te worden betrokken.