ECLI:NL:CBB:2001:AA9862
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.M. Wolters
- H.C. Cusell
- G.A.J. van den Hurk
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke toetsing vergunning biotechnologische handelingen met genetisch gemodificeerde muizen
Het geschil betreft een beroep van de Anti Vivisectie Stichting tegen een besluit van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij tot het verlenen van een vergunning aan het Academisch Medisch Centrum voor biotechnologische handelingen met genetisch gemodificeerde muizen. De vergunning is verleend op grond van artikel 66 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd), waarbij de minister toetst op onaanvaardbare gevolgen voor dieren en ethische bezwaren.
Appellanten voerden aan dat de vergunning onterecht is verleend, onder meer omdat het 'nee, tenzij'-beleid onjuist wordt toegepast, de vergunning te vaag is geclusterd, onvoldoende toetsing aan alternatieven heeft plaatsgevonden en dat ethische bezwaren doorslaggevend zouden moeten zijn. Verweerder stelde dat het onderzoek een substantieel belang dient, dat de Commissie biotechnologie bij dieren het advies zorgvuldig heeft uitgebracht en dat de Wet op de dierproeven voldoende waarborgen biedt.
Het College oordeelt dat ethische bezwaren weliswaar een rol spelen, maar niet per definitie prohibitief zijn; zij moeten doorslaggevend zijn om een vergunning te weigeren. Het College onderschrijft de uitleg van de minister en de Commissie dat het belang van het onderzoek, met name voor de volksgezondheid, zwaarwegend is. De toetsing van de aanvraag aan de criteria uit de Nota van toelichting bij het Besluit biotechnologie bij dieren is zorgvuldig en rechtens aanvaardbaar.
Verder oordeelt het College dat de vergunning voldoende specifiek is en dat extra voorschriften ten aanzien van openheid naar derden en voorleggen aan de dierexperimentencommissie niet noodzakelijk zijn, gelet op het bestaande wettelijke toezicht. Ook is het 'nee, tenzij'-beleid niet uitgehold tot een 'ja, mits'-beleid, omdat de aard en het belang van het onderzoek meewegen bij de beoordeling van alternatieven.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunningverlening voor biotechnologische handelingen met genetisch gemodificeerde muizen wordt ongegrond verklaard.