6. Het standpunt van de KUN.
Namens de KUN is ter zitting het hiervoor weergegeven standpunt van verweerder
onderschreven. Voorts is het wetenschappelijk en maatschappelijk belang van het
onderzoek benadrukt, in het bijzonder wat de diagnostisering en genezing van de in de
aanvraag genoemde afwijkingen betreft. Verder heeft de gemachtigde van de KUN er op
gewezen dat klauwkikkers minder ongerief ervaren van het onderzoek dan hogere
diersoorten, omdat de eieren waaruit de gemodificeerde kikkervisjes worden vervaardigd
spontaan worden gelegd en terugplaatsing daarvan in het lichaam niet nodig is.
7. De beoordeling van het geschil.
Het College ziet zich in deze zaak in de eerste plaats gesteld voor de vraag op welke wijze
de in de wet gegeven toetsingscriteria dienen te worden uitgelegd en gehanteerd. Daarbij is
in het bijzonder aan de orde welke plaats en waardering moet worden toegekend aan zich
voordoende "ethische bezwaren" naast de oordeelsvorming die moet plaatsvinden omtrent
de vraag of van onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid of het welzijn van het dier
sprake is.
Appellante is kennelijk van opvatting dat, indien zich een ethisch bezwaar voordoet, van
welk gewicht dan ook, dit niet, anders dan het geval is bij de beoordeling van de
aanvaardbaarheid van de gevolgen van de handeling, kan worden afgezet tegen het belang
van het onderzoek, hoe substantieel ook. Het bestaan van ethische bezwaren, mits coherent
en consistent verwoord en in overeenstemming met de doelstelling van het beleid, zo kan
het betoog van appellante worden verstaan, is op zichzelf prohibitief voor het verlenen van
de vergunning.
Het College deelt die opvatting niet. Naar het oordeel van het College heeft verweerder, in
navolging van de Commissie, terecht het begrip ethische bezwaren als neergelegd in artikel
66, derde lid, geduid als: doorslaggevende ethische bezwaren.
Te dien aanzien wordt het volgende overwogen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van
voormeld artikel 66, derde lid, blijkt dat de wetgever betekenis heeft willen toekennen aan
de intrinsieke waarde van het dier. Ook wanneer geen sprake is van onaanvaardbaar lijden
kunnen zich ethische bezwaren voordoen, bijvoorbeeld in de vorm van aantasting van die
intrinsieke waarde. Deze bezwaren spelen een rol voor de beoordeling of de voorgenomen
biotechnologische handelingen kunnen worden toegestaan. Die rol, zo leidt het College af
uit de totstandkomingsgeschiedenis van de in geding zijnde bepaling, gaat niet zover dat zij
iedere weging van een ethisch bezwaar uitsluit; gewezen zij in dit verband op de
toelichting bij het eerste van de reeks amendementen die aan de bepaling ten grondslag
hebben gelegen alsmede bij de wijziging daarvan, onder meer luidende:
" Deze amendementen strekken ertoe te voorkomen dat uit ethische
overwegingen ongewenste handelingen met dieren of met het genetisch
materiaal van dieren toegepast worden. De ontwikkelingen in de
biotechnologie gaan zo snel, en zijn zo onvoorspelbaar, dat het niet voldoende
is te bepalen dat bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld kunnen
worden ten aanzien van deze handelingen. Dat zou ertoe kunnen leiden dat
ontwikkelingen teruggedraaid moeten worden die niet meer terug te draaien
zijn. Een discussie vooraf over de wenselijkheid van deze technieken is nodig.
de betreffende handelingen zullen alleen worden toegestaan als de
wenselijkheid hiervan voldoende is aangetoond, en de ethische bezwaren niet
doorslaggevend zijn. (.)" (TK 1988-1989, 16 447, nrs 23 en 63)."