AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tegemoetkoming schade op grond van de Plantenziektenwet wegens normaal bedrijfsrisico
Appellante, een pootaardappelteler, verzocht om een tegemoetkoming in schade op grond van artikel 4 vanPro de Plantenziektenwet na maatregelen wegens een waarschijnlijke besmetting met bruinrot op haar bedrijf. Verweerder wees het verzoek af omdat de schade volgens hem tot het normale bedrijfsrisico behoort, mede omdat de besmetting voortkomt uit het aankopen van besmet pootgoed.
Appellante stelde dat verweerder artikel 4 PzwPro niet correct toepaste en dat sprake was van onevenredig zware schade die vergoeding verdiende. Zij voerde aan dat zij geen nalatigheid had en dat de verzekering tegen dergelijke schade niet duidelijk was.
Het College oordeelde dat artikel 4 PzwPro niet bedoeld is voor schade die tot het normale bedrijfsrisico behoort. De besmetting met bruinrot was bekend sinds 1995 en het risico lag bij appellante als ondernemer. De schade vloeit voort uit omstandigheden die eigen zijn aan het bedrijfsrisico, waaronder het aankopen van besmet pootgoed.
Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en wees het verzoek om tegemoetkoming af. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het verzoek om tegemoetkoming afgewezen omdat de schade tot het normale bedrijfsrisico behoort.
Uitspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
No. AWB 99/908 24 april 2001
32100
Uitspraak in de zaak van:
Maatschap A en B, te Anna Paulowna, appellante,
gemachtigde: mr M.J. Smaling, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand
Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam,
tegen
de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, zetelend te 's-Gravenhage,
verweerder,
gemachtigden: mr J.C.M. Oudshoorn en ir A. Oldenkamp, beiden werkzaam bij verweerder.
1. De procedure
Op 5 november 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij
op nader aan te voeren gronden beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder
van 27 september 1999.
Bij dat besluit heeft verweerder afwijzend beslist op het bezwaarschrift dat appellante had
ingediend tegen een besluit van verweerder van 11 februari 1999, strekkende tot afwijzing
van een verzoek om tegemoetkoming op grond van artikel 4 vanPro de Plantenziektenwet.
Bij schrijven van 30 november 1999, ingekomen ter griffie op 1 december 1999, heeft
appellante de gronden van het beroep ingediend.
Op 31 december 1999 heeft verweerder een verweerschrift, dagtekening 30 december 1999,
ingediend, strekkende tot ongegrondverklaring van het beroep.
Verweerder heeft bij brief gedateerd 4 januari 2000 het verweerschrift aangevuld.
Bij schrijven van 20 januari 2000 heeft appellante hierop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2001, waar appellante en
verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.
2. De grondslag van het geschil
2.1 Artikel 4 vanPro de Plantenziektenwet (hierna: de Pzw) luidt als volgt:
" Onze Minister is bevoegd in gevallen waarin de schade, welke het gevolg is van
het toepassen van krachtens artikel 3 gegevenPro voorschriften, onevenredig zwaar
op een of meer personen zou drukken, uit 's Rijks schatkist een
tegemoetkoming te verlenen in de geleden schade."
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten
en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Op het bedrijf van appellante worden pootaardappelen geteeld.
- Bij brief van 2 oktober 1997 heeft de onder verweerder ressorterende
Plantenziektenkundige Dienst (hierna: de PD) appellante medegedeeld dat alle
onderzochte partijen pootaardappelen van appellante die in 1997 geteeld zijn, vrij van
bruinrot zijn bevonden. In deze brief staat verder onder meer het volgende vermeld:
" Mogelijkheid van vastlegging:
U dient er te allen tijde rekening mee te houden dat het voortschrijdende
bruinrotonderzoek kan leiden tot het constateren van bruinrot in partijen
aardappelen die op enigerlei wijze een relatie hebben (klonaal verband,
machinecontact e.d.) met aardappelen geteeld op Uw bedrijf. Een dergelijke
vondst leidt tot een vastlegging van Uw bedrijf door de Plantenziektenkundige
Dienst"
- Bij besluiten van 14 oktober 1997 en 19 november 1997 heeft de PD aan appellante
een aantal maatregelen, als voorzien in artikel 3 vanPro de Pzw, opgelegd. Deze
maatregelen vloeien voort uit de omstandigheid dat enkele zusterpartijen van de door
appellante op perceel 6 geteelde partij Dor‚ besmet zijn bevonden met bruinrot. Op
grond hiervan is de door appellante op perceel 6 geteelde partij Dor‚ als
'waarschijnlijk besmet' met bruinrot aangemerkt.
- Op 22 december 1997 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend tegen de door de
PD bij besluit van 19 november 1997 opgelegde maatregelen.
- Bij besluit van 27 mei 1998 heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond
verklaard. In dit besluit staat voorts onder meer het volgende vermeld:
" Voor zover U in Uw brief van 22 december 1997, aangevuld met brief van
28 april 1998, heeft verzocht om schadevergoeding op basis van de
Plantenziektenwet deel ik U mede dat dit wordt opgevat als een verzoek om
schadevergoeding op grond van artikel 4 vanPro de Plantenziektenwet. Op dit
verzoek zal een afzonderlijk (primair) besluit worden genomen."
- Bij schrijven van 24 juni 1998, ingekomen ter griffie op 25 juni 1998, heeft appellante
bij het College beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van
27 mei 1998 (AWB 98/597).
- Op 12 november 1998 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend tegen het niet
tijdig nemen van een besluit door verweerder op haar verzoek om schadevergoeding
Verder is de gestelde schade van appellante primair veroorzaakt door de waarschijnlijke
aanwezigheid van bruinrot en niet zozeer door de vanwege verweerder opgelegde
maatregelen. Ook zonder van overheidswege opgelegde maatregelen zou er feitelijk sprake
zijn geweest van een blokkade van de onderhavige partij Dor‚ en zou appellante in feite in
dezelfde situatie hebben verkeerd als m‚t de opgelegde maatregelen. Reeds op grond van de
Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten mocht appellante de onderhavige partij
Dor‚ immers niet in het verkeer brengen, omdat deze partij niet vrij was van de
bruinrotbacterie. Evenmin kon op grond van deze Regeling een plantenpaspoort worden
afgegeven. De schade van appellante vloeit derhalve direct voort uit genoemde Regeling.
Artikel 4 PzwPro voorziet echter niet in vergoeding van schade die voortvloeit uit deze
Regeling.
4. Het standpunt van appellante
Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, samengevat weergegeven, onder meer
het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Naar het oordeel van appellante maakt verweerder van artikel 4 vanPro de Pzw een dode letter,
nu vast beleid is dat bij een waarschijnlijke besmetting met bruinrot geen vergoeding wordt
toegekend. Appellante stelt dat verweerder verplicht is om zich met betrekking tot het
onderhavige geval een afgewogen oordeel te vormen omtrent de vraag of het toekennen van
een schadevergoeding is ge‹ndiceerd. In het bestreden besluit is dit echter naar het oordeel
van appellante niet, althans slechts in zeer beperkte mate geschied. Van een afgewogen
oordeel kan namelijk geen sprake zijn als voorshands vaststaat dat een aanvraag
overeenkomstig vast beleid zal worden afgewezen.
Voorts kan naar het oordeel van appellante het standpunt van verweerder, dat de door haar
geleden schade geacht moet worden te zijn verdisconteerd in het normale bedrijfsrisico, in
redelijkheid niet worden gevolgd en is in casu wel degelijk sprake van onevenredig zware
schade in de zin van artikel 4 vanPro de Pzw. Appellante heeft over het jaar 1998 een verlies
geleden van fl. 17.099,--, waaraan de door verweerder opgelegde maatregelen debet zijn;
zij heeft de opbrengst gemist die zou zijn verkregen als de bewuste partij Dor‚ gewoon was
afgezet in het handelsverkeer.
Gelet op het gegeven dat appellante in casu geen nalatigheid kan worden verweten, dat
nimmer is aangetoond dat de bewuste partij Dor‚ van appellante ook daadwerkelijk was
besmet met bruinrot en dat bedoelde partij kort na 2 oktober 1997 nog in het
handelsverkeer had kunnen worden gebracht, had verweerder een schadevergoeding toe
moeten kennen, te meer nu in vergelijkbare gevallen waarin een ondernemer buiten zijn
schuld met maatregelen van overheidswege wordt geconfronteerd, wel aanspraak op
vergoeding van de schade bestaat. Appellante verwijst in dat verband onder meer naar de
schaderegeling in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren.
Appellante blijft voorts van mening dat haar niet kan worden verweten dat zij destijds bij
Potatopol niet heeft nagevraagd of schade die het gevolg is van een 'waarschijnlijk
besmet'-verklaring in de jaren 1997 en 1998 door deze verzekering werd gedekt, reeds gelet
op het enkele feit dat de uit de toepasselijke polisvoorwaarden bleek dat het moest gaan om
aantoonbare besmetting met bruinrot. Appellante heeft derhalve terecht in de
veronderstelling verkeerd dat schade als door haar geleden niet door de bruinrotverzekering
van Potatopol zou worden gedekt, zodat zij op goede gronden verzekering achterwege
heeft gelaten. Het is niet zo dat van de zijde van Potatopol uit eigen beweging schriftelijke
informatie aan akkerbouwers is verstrekt betreffende de (omvang van de)
verzekeringsdekking. Alleen personen die bij Potatopol daadwerkelijk navraag hebben
gedaan omtrent de verzekeringsdekking konden ervan op de hoogte zijn dat de
'waarschijnlijk besmet'-verklaringen ook onder de verzekeringsvoorwaarden van 1997 en
1998 vielen.
5. De beoordeling van het geschil
Tussen partijen is de rechtmatigheid van de door verweerder aan appellante opgelegde
maatregelen niet (langer) in geschil. Het College staat thans voor de beoordeling van de
vraag of verweerder op rechtens goede gronden heeft besloten appellante geen
tegemoetkoming in de schade te verstrekken. Dienaangaande wordt het volgende
overwogen.
Het College onderschrijft hetgeen van de zijde van verweerder naar voren is gebracht
omtrent de strekking van artikel 4 vanPro de Pzw en overweegt daartoe, overeenkomstig het
gestelde in zijn uitspraken van 12 december 1995 (94/1736/060/220 e.a.) en 8 juni 2000
(AWB 98/312) dat uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van genoemd
artikel 4 vooreerstPro blijkt dat met de introductie van dit artikel niet is beoogd een algemene
schadevergoedingsplicht voor verweerder in het leven te roepen.
Met name heeft het College in die geschiedenis onvoldoende aanknopingspunten kunnen
vinden om te komen tot het oordeel dat de wetgever met genoemd artikel 4 ookPro een
aanspraak op een tegemoetkoming heeft willen scheppen voor degene die wordt
geconfronteerd met schade die is terug te voeren op omstandigheden die tot zijn normale
bedrijfsrisico behoren.
Van zodanige, aan een succesvol beroep op artikel 4 vanPro de Pzw in de weg staande,
omstandigheden is in casu sprake. Het College overweegt dienaangaande als volgt.
Vaststaat dat appellante pootgoed heeft betrokken dat behoorde tot een stam waarin, naar
achteraf is gebleken, in een eerder stadium een bruinrotbesmetting is terechtgekomen en van
welke stam in 1997 bij vijf zusterpartijen van de partij van appellante daadwerkelijk een
bruinrotbesmetting is vastgesteld.
Nu de 'waarschijnlijk besmet'-verklaring van de partij Dor‚ van appellante derhalve
voortvloeit uit het betrekken van pootgoed van een stam als vorenomschreven, komt het
College tot de conclusie dat de door appellante gestelde schade is terug te voeren tot
omstandigheden die tot haar normale bedrijfsrisico behoren. Het College acht de opvatting
van appellante dat zich hier een situatie voordoet die het normale bedrijfsrisico overstijgt
aangezien nimmer is aangetoond dat de bewuste partij Dor‚ ook daadwerkelijk was besmet
met bruinrot en haar geen nalatigheid kan worden verweten, een te beperkte benadering van
hetgeen onder een normaal bedrijfsrisico moet worden verstaan. In de aardappelteelt is een
'waarschijnlijk besmet'-verklaring met bruinrot een risico dat in ieder geval reeds, zoals door
verweerder onweersproken is gesteld, sinds 1995 bekend was. Derhalve had de
bedrijfsvoering van appellante kunnen worden gericht op het weren van besmetting en het
beperken van schade, voortvloeiend uit besmetting.
Aan een en ander doet niet af dat de PD appellante bij brief van 2 oktober 1997 heeft
bericht dat haar bedrijf bruinrotvrij was. De PD heeft immers in diezelfde brief een
uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt ten aanzien van de mogelijkheid dat alsnog van
besmetting zou blijken.
Uit het voorafgaande volgt dat hetgeen partijen naar voren hebben gebracht omtrent de aard
en de omvang van de door appellante gestelde schade en de vraag of appellante al dan niet
bekend was met de omvang van de door Potatopol verschafte dekking, buiten verdere
bespreking kan blijven.
Aangezien ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan
moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep
ongegrond te worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing
van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
6. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 april 2001.