ECLI:NL:CBB:2001:AB2068
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Schorsing aflever- en opgebruiktermijnen voor chloorthalonilhoudende bestrijdingsmiddelen wegens strijd met wet- en regelgeving
In deze zaak hebben verzoeksters bezwaar gemaakt tegen besluiten van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) waarin aflever- en opgebruiktermijnen werden vastgesteld voor chloorthalonilhoudende bestrijdingsmiddelen waarvan de toelating was geëindigd. Verweerder had deze termijnen vastgesteld ondanks dat de toelatingen van de middelen op grond van inhoudelijke toetsing aan milieucriteria waren beëindigd.
De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de Wet en de Europese Richtlijn 91/414/EEG slechts ruimte bieden voor het vaststellen van aflever- en opgebruiktermijnen in geval van intrekking van een toelating of vergelijkbare situaties. In dit geval was sprake van het van rechtswege eindigen van toelatingen, niet van intrekking. Daarom was het vaststellen van de termijnen niet toegestaan.
De president overwoog dat verweerder geen wettelijke grondslag had om de termijnen vast te stellen en dat de besluiten in strijd waren met de wet. De schorsing van de besluiten werd daarom toegewezen, met ingang van 26 juni 2001, en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan verzoeksters.
De zaak illustreert de strikte interpretatie van de toelatingswetgeving en het belang van bescherming van milieucriteria boven economische belangen bij de toelating van bestrijdingsmiddelen.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de besluiten van 2 mei 2001 tot vaststelling van aflever- en opgebruiktermijnen worden geschorst.