ECLI:NL:CBB:2001:AD3770
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Afwijzing premieaanvraag zoogkoeien wegens niet-nakoming aanhoudplicht en geen overmacht
Appellant diende een aanvraag in voor premie voor 11 zoogkoeien voor het verkoopseizoen 1999. Tijdens een controle bleek dat negen van deze zoogkoeien niet op het eigen bedrijf werden gehouden, maar op een weiland dat niet tot het bedrijf behoorde. Appellant voerde aan dat dit het gevolg was van vertraging bij ruilverkavelingswerkzaamheden en natte weersomstandigheden waardoor het eigen land niet beschikbaar was.
Verweerder wees de aanvraag af omdat niet werd voldaan aan de verplichting om de dieren op het eigen bedrijf aan te houden, zoals voorgeschreven in de Regeling dierlijke EG-premies en de relevante verordeningen. Appellant stelde dat sprake was van overmacht, maar het College overwoog dat de omstandigheden niet voldeden aan de criteria voor overmacht omdat appellant al bij de aanvraag op de hoogte was van mogelijke problemen met de beschikbaarheid van weidegrond en bewust had gekozen de dieren tijdelijk elders te plaatsen.
Daarnaast was appellant niet tijdig in kennis gesteld van de overmachtssituatie aan LASER, wat ook een vereiste is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het College zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de premieaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat de zoogkoeien niet op het eigen bedrijf werden aangehouden en overmacht niet is aangetoond.