3. De beoordeling van de middelen van beroep
3.1 Aangaande de klacht van appellante, de beslissing daarop en de door appellante voorgedragen middelen van beroep, overweegt het College het volgende
a. In haar klaagschrift d.d. 26 augustus 1998 heeft appellante in aansluiting op de klacht betreffende het handelen van betrokkene jegens haar, als klacht namens een cliënte van haar, te weten B, naar voren gebracht dat betrokkene bij gelegenheid van een bij deze cliënte optredende waterschade heeft verzuimd de vereiste maatregelen te nemen. Hierdoor zou deze cliënte financieel nadeel hebben geleden.
De raad van tucht heeft appellante gevraagd of zij beschikte over een machtiging om namens deze cliënte ter zake van genoemde aangelegenheid een klacht in te dienen.
Appellante heeft doen weten niet over een dergelijke machtiging te beschikken.
Het College is van oordeel dat, aangezien appellante uitdrukkelijk te kennen had gegeven namens bedoelde cliënte op te treden, de raad van tucht terecht heeft geoordeeld dat hij niet bevoegd was kennis te nemen van de bezwaren die appellante in dat verband tegen betrokkene naar voren had gebracht, toen appellante niet bleek te beschikken over een machtiging van deze cliënte.
Het middel inzake voornoemd onderdeel van de tuchtbeslissing, is derhalve ongegrond.
b. Naar de mening van appellante is de raad van tucht partijdig geweest in het voordeel van betrokkene en heeft appellante het recht ontzegd zich door een door haar aangewezen gemachtigde te laten vertegenwoordigen.
Het College heeft noch in het door appellante gestelde, noch in de gedingstukken steun kunnen vinden voor evenvermelde opvattingen van appellante. Van een door de raad van tucht aan appellante opgeworpen belemmering zich door voornoemde gemachtigde of iemand anders te laten vertegenwoordigen, is niet gebleken.
Dit middel is derhalve ongegrond.
c. Evenmin slaagt het middel waarbij appellante stelt dat niet valt in te zien waarom aan de beweringen van betrokkene een waarheidsgehalte en realiteitsgehalte wordt gegeven dat aan de beweringen van appellante wordt onthouden.
Ook in dit verband heeft het College in de beschikbare gegevens geen steun kunnen vinden voor de gegrondheid van evenbedoelde grieven van appellante, die kennelijk betrekking hebben op (-) de feitenvaststelling door de raad van tucht met betrekking tot de in de bestreden tuchtbeslissing verwoorde onderdelen 1 en 2 van appellantes klacht en op (-) de overwegingen die hebben geleid tot ongegrondverklaring van deze klachtonderdelen.
De stelling van appellante dat de bestreden tuchtbeslissing in dit opzicht onjuist is gemotiveerd, moet derhalve van de hand worden gewezen.
c. Het College vermag voorts niet in te zien dat de raad van tucht, zoals appellante stelt, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het optreden van betrokkene als openbaar accountant. De op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van het College beschikbare gegevens bieden geen grond voor het oordeel dat de raad van tucht bij de beoordeling van het handelen van betrokkene, waarover appellante heeft geklaagd, een onjuiste toetsingmaatstaf heeft gehanteerd.
Derhalve treft dit middel geen doel.
3.2 Hetgeen appellante overigens in beroep heeft aangevoerd met betrekking tot - haars inziens onjuist - handelen van betrokkene, zoals door hem uitgeschreven declaraties en het afgeven van een verklaring op of omstreeks 24 oktober 1996, valt buiten het kader van de door haar ingediende en door de raad van tucht behandelde klacht. Derhalve kan met die bezwaren bij de beoordeling van dit beroep geen rekening worden gehouden.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep niet kan slagen.
De na te melden uitspraak berust op het bepaalde in titel II, § 6 van de Wet op de Registeraccountants.