4. De beoordeling van het middel van beroep
4.1 Als middel van beroep heeft appellant aangevoerd dat de raad van tucht betrokkene ten onrechte heeft gevolgd in zijn stelling dat B, meer in het bijzonder betrokkene, ten tijde van het opstellen van de jaarrekening 1998 van appellant niet bekend was met de - hierboven onder rubriek 2 omschreven - wijziging in de samenwerking per 1 januari 1998. Appellant heeft gesteld dat P deze wijziging heeft doorgegeven aan S, de medewerker van B die het contact met appellant onderhield. S en betrokkene stellen dat P deze wijziging eerst kenbaar heeft gemaakt in reactie op de door betrokkene ondertekende jaarrekening 1998, gedateerd 28 februari 2000.
Ter onderbouwing van het middel van beroep heeft appellant aangevoerd dat vorenbedoelde wijziging kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat P aan S twee schriften met boekhoudkundige gegevens over 1998 heeft verstrekt, één schrift met betrekking tot P persoonlijk en één schrift met betrekking tot de kostenmaatschap. In laatstbedoeld schrift heeft S het adres van de gezamenlijke praktijk bijgeschreven. S heeft in 1999 een overzicht gemaakt van één van beide administraties. Een nota van 22 november 1999 van B bevat de aantekening "S: nota wordt nog gesplitst 17-12". De vanzelfsprekendheid waarmee P in haar brief van 14 januari 2000 aan S verwijst naar de te onderscheiden administraties, kan slechts duiden op de zekerheid dat S op de hoogte was van de actuele situatie.
Naar het oordeel van het College kan op grond van hetgeen appellant ter onderbouwing van het middel van beroep naar voren heeft gebracht, niet worden vastgesteld dat S en betrokkene reeds voor of op 28 februari 2000 op de hoogte waren van de wijziging in de samenwerking tussen P en R per 1 januari 1998. Het College neemt hierbij het volgende in aanmerking.
Blijkens de gedingstukken heeft B naast de jaarrekening 1998 van appellant ook de aangifte inkomstenbelasting 1998 van P opgesteld. Met het oog op deze aangifte diende B vast te kunnen stellen welke kosten en baten van appellant aan P waren toe te rekenen. Dat boekhoudkundige gegevens in twee te onderscheiden schriften zijn aangeleverd, dat S in één van deze schriften het adres van de maatschap heeft aangetekend en dat P de verstrekte boekhoudkundige gegevens desgevraagd bij brief van 14 januari 2000 op onderdelen nader heeft toegelicht, dient naar het oordeel van het College in dit licht te worden bezien en kan worden aangemerkt als het verstrekken dan wel verzamelen van gegevens, met behulp waarvan B in staat werd gesteld vorenbedoelde aangifte inkomstenbelasting te verzorgen. Deze door appellant aangevoerde omstandigheden impliceren op zichzelf dan ook niet, dat S en betrokkene ten tijde hier van belang op de hoogte waren van de actuele situatie bij appellant.
Gesteld noch gebleken is dat de aantekening op de nota van 22 november 1999 door S of betrokkene is gemaakt. Gelet op de datering van deze aantekening acht het College niet onaannemelijk dat P haar na ontvangst van de nota heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden kan de aantekening op de nota niet leiden tot het oordeel dat S en betrokkene ten tijde hier van belang kennis droegen van de actuele situatie bij appellant.
Het door appellant voorgedragen middel van beroep faalt derhalve.
4.2 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep dient te worden verworpen.
Deze uitspraak berust op Titel II van de Wet op de Registeraccountants.