ECLI:NL:CBB:2002:AE1058
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beperking kennisneming Alterra-rapport in bestuursrechtelijke procedure over bestrijdingsmiddelen
Appellanten, bestaande uit waterbedrijven, hebben beroep ingesteld tegen een besluit van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) dat hun bezwaarschrift tegen verlengingen van toelatingen van bestrijdingsmiddelen ongegrond verklaarde.
Verweerder heeft zes producties, waaronder het Alterra-rapport, overgelegd en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de kennisneming van deze stukken te beperken tot het College. Verweerder baseerde dit op geheimhoudingsplicht uit artikel 22 van Pro de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en het belang van bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens.
Appellanten betoogden dat het Alterra-rapport openbaar gemaakt moet worden omdat het van doorslaggevende betekenis is voor de primaire besluiten en dat de wettelijke geheimhoudingsgrond niet zonder meer geldt. Het College overwoog dat het enkele feit dat verweerder het rapport niet openbaar maakt niet doorslaggevend is en dat een belangenafweging vereist is.
Het College concludeerde dat gewichtige redenen aanwezig zijn om de kennisneming te beperken, waarbij het belang van geheimhouding zwaarder weegt dan het belang van appellanten om het rapport in deze procedure te kunnen inzien. De beslissing tot beperking van kennisneming is daarom gerechtvaardigd.
Tenslotte werd aan partijen gevraagd of zij instemmen met het besluit dat het College mede op basis van de niet aan hen toegezonden stukken zal beslissen.
Uitkomst: Het College oordeelt dat beperking van kennisneming van het Alterra-rapport gerechtvaardigd is vanwege gewichtige redenen en vertrouwelijkheid.